maandag 30 maart 2026

II. DE GEVOLGEN VAN DE VERZOEKING VOOR DE MISSIE VAN JEZUS CHRISTUS OP AARDE EN HET LOT VAN DE MENSHEID


1. De verzoeking in de woestijn en de verzoeking in het paradijs


De verzoeking van Christus Jezus in de woestijn was een gebeurtenis van de grootste draagwijdte voor de gehele lotsbestemming van de aardemensheid. Want het geschiedde in naam van de mensheid en voor het heil van de mensheid. Christus Jezus was immers in het uur van de verzoeking aangewezen op het gewone waakbewustzijn dat de mensheid eigen is, en stonden immers de verzoekerswezenheden van de gehele mensheid tegenover hem die hem beproefden met de verzoekingen die voor de hele mensheid bestemd zijn. De inzicht in deze feiten – en in datgene wat in verband daarmee in de voorafgaande beschouwing werd aangevoerd – kan reeds een gewaarwording geven van de draagwijdte van wat er tijdens de verzoekingsgebeurtenissen, maar deze gewaarwording kan verhoogd worden tot het niveau van heilige ernst door een verdere stap te nemen in de kennis van het belang van de verzoekingsgebeurtenissen.

Voor het nemen van deze verdere stap zal men echter een aanleiding vinden, wanneer men het  totaalorganisme van de compositie van het Oude Testament met dat van het Nieuwe Testament vergelijkt. Dan zal men ontdekken dat beide compositie-organismen opvallend veel gemeenschappelijke kenmerken bezitten. Aldus begint het Oude Testament met de beschrijving van de zesdaagse schepping en haar bekroning – de schepping van de mens, de Oude Adam; ook het Nieuwe Testament begint met de beschrijving van de geboorte en wording van de nieuwe mens, de nieuwe Adam. En zoals het Oude Testament iets verderop het verhaal beschrijft van de verzoeking in Eden, schildert het Nieuwe Testament onmiddellijk na de gebeurtenis van de doop in de Jordaan – de wording van de nieuwe Adam – de verzoekingsscène in de woestijn. En er is niet veel voor nodig om te beseffen dat, wanneer aan de "nieuwe Adam" een heel de mensheid omvattende karmische betekenis wordt toegekend, die tenminste gelijkwaardig is aan de betekenis van de "Oude Adam", dat dan aan de verzoeking van de "nieuwe Adam" tenminste hetzelfde gewicht moet worden toegekend als aan de verzoeking in de Hof van Eden.

                Zo wordt men reeds door deze eenvoudige gedachtegang tot het grote wereldhistorische feit gevoerd dat de verzoeking in de woestijn het in de zin van de hele mensheid noodlottige tegenovergestelde is van verzoeking in de Hof van Eden. Net zoals de oorspronkelijke verzoeking in de Hof van Eden de zondeval van de mensheid tot resultaat had met zijn vele en ingrijpende veranderingen in het bewustzijn en het lichamelijk organisme van de mens, zo had de verzoeking in de woestijn ook belangrijke gevolgen in de zin van de veranderingen in het bewustzijn en het lichamelijk organisme van de mens - echter niet in de richting van de "val", maar in de richting van de verheffing.

                Laten we nu beide verzoekingsgebeurtenissen nader beschouwen. In de Oudtestamentische schildering treedt de verzoeking als eerste op Eva toe, d.w.z. het zielsmatig-astrale element van het menselijke. Vertaald in de hedendaagse begrippentaal dient zich daar de verzoeking aan door de volgende eis en belofte:

"Kijk eens naar het leven van je ziel – het is om je heen gespreid in de vorm van beelden die door wereldmachten zijn geweven. Op zichzelf ben je niets, een waar Niets – alleen wanneer je van de zich vertakkende wereldstromen de 'vruchten van de bomen' waar je mee omringd bent in je opneemt, beleef je leven in je, maar het is niet jouw eigen leven, slechts het leven van de wereld. Geniet je van de vruchten van de boom van vreugde, dan zult  je met vreugde worden vervuld, maar het is niet jouw vreugde, maar louter de vreugde van de wereld die dan in jou uitmondt. Je zult daarbij niets van jezelf ervaren, maar je bent dan gewoon een schouwplaats waarop de krachten van de wereld werkzaam zijn. Evenzo is het ook met je gesteld, wanneer je van de vruchten van de boom van hoop geniet: niet jij bent het die daar hoopt, maar de hele hoop van de wereld licht in je op – maar jijzelf bent evenzo zonder hoop als je zonder vreugde bent. En zo zult je blijven – slechts een spiegel van het zielenleven van ‘s werelds Goden – als je niet in je opneemt de vrucht van de boom van het onderscheid tussen goed en kwaad: de boom waarin niet alleen het sap van het zielenleven der Goden vloeit, maar ook het slangensap van het zielenleven dat de macht heeft om tegen de bedoelingen van de Goden nee te zeggen. Geniet van de vruchten van deze boom – en je zult eigenleven bezitten en beslissingen kunnen nemen, zoals de Goden beslissingen nemen! Je zult dan worden als de Goden!" – En Eva at van de boom van kennis van goed en kwaad.

Als vervolg op deze verzoeking treedt de eerste verzoeking van Christus Jezus in de woestijn op Hem toe. Ook hier wordt een beroep op de eigenliefde gedaan; alleen wordt hier niet langer de innerlijke vrijheid van het zelfbewustzijn aangeboden, maar "alle rijken van de ganse wereld" als bezit voor de in de eenzaamheid van de woestijn verblijvende ziel.

                Nu wordt echter deze verzoeking tegengegaan met het menselijk onderscheidingsvermogen van goed en kwaad dat zich juist als gevolg van de verzoeking in de Hof van Eden gevormd heeft (en waarvan de hoogste perfectie Christus Jezus aan de Zarathoestra-individualiteit te danken heeft, die in Jezus van Nazareth 18 jaar voorbereidend heeft gewerkt) en het kwaad als kwaad herkent. Maar Christus Jezus verwerpt de wil tot macht en stelt in plaats daarvan bewust de wil in dezelfde verhouding van toewijding aan de Godheid, zoals die vóór de zondeval in onbewuste zin bestond. De paradijselijke trouw, die door de verzoeking in de Hof van Eden ophield te bestaan, wordt nu door Christus Jezus hersteld.

                Nu was de verzoeking in de Hof van Eden echter niet beperkt tot het ontvangen van de vrucht van kennis door Eva: Zij gaf dit ook aan haar man, en hij nam dit eveneens tot zich. Dit is het tweede deel van het oerdrama van de mensheid: dat de Ik-organisatie aanleiding vond het egoïsme te ontvangen dat door de astrale lichaamsorganisatie werd opgenomen. Het ego, dat zinnebeeldig "op de tinne van het heiligdom" in bespiegelende aanschouwing van de vaste sterrensfeer verbleef, "stortte" nu van de hoogten naar de diepten van het golvende astrale dat door egoïstische instincten doordrongen was. De erfzonde ontstond pas doordat het Ik-principe in het egoïsme van het astrale verviel; want als gevolg daarvan trad de zelfzucht op in het bloed en wat daardoor erfelijk werd. Via de omweg van de Ik-organisatie kon het oorspronkelijk in het astrale doorgedrongen egoïsme afdalen in het bloed; nadat het echter het bloed bereikt had, werd het een eigenschap van alle volgende generaties.

                De verzoeking om zich "vanaf de tinne van het heiligdom" in de diepten van het instinctieve te storten trof ook Christus Jezus. Maar die wordt door Hem overwonnen doordat Hij het heldere licht van het bewustzijn alleen de bevoegdheid toekent om schouwplaats van het verbond tussen het menselijke en het bovenmenselijke te zijn.


Als gevolg van de opname van het egoïsme door het astrale en de val van het Ik-principe in dit astrale, ontstond de verandering van de menselijke lichaamsorganisatie die wordt aangeduid met de Bijbelse woorden: "Toen werden van beiden de ogen geopend ...". Deze verandering bestond hierin dat de mogelijkheid ontstond om de buitenwereld waar te nemen. Het nieuwe waarnemingsvermogen ontstond echter doordat de mens zelf donkerder werd  – en de buitenwereld overeenkomstig lichter. Voordien was de mens vervuld van kosmisch licht van binnen en straalde het naar buiten. Toen werd de buitenwereld overstraald door het vanuit de mens stralende en dus niet waarneembare licht, zoals het zonlicht gedurende de dag de sterren onzichtbaar maakt doordat het hen overstraalt. Door de opname van het egoïsme was de mens niet meer doorzichtig voor het kosmische geesteslicht; het nu in hem wonende egoïsme vormde een belemmering voor dat licht. Zo begon de mens, in plaats van de voormalige lichtstralen, een schaduw naar buiten te werpen. En deze "schaduw" was het die de waarneming van de buitenwereld mogelijk maakte. De ogen van de mensen werden voor de buitenwereld geopend, doordat de innerlijke wereld zich verduisterde.

Daarmee werd de basisvoorwaarde voor een verdere verzoeking geschapen. Deze diende zich uiteraard pas veel later direct bij de mens aan: pas tijdens de Atlantische ontwikkelingsperiode werd de buitenwereld een middel tot Ahrimanische verzoeking. Voordien was de buitenwereld namelijk onderwerp en slachtoffer van de wensen en verlangens van de mens; vanaf de Atlantische tijd werd echter ook de mens zelf slachtoffer van de buitenwereld.

                De dramatische geschiedenis van de materialistische verzoekingsstroom die zich aan Christus Jezus voordeed in de vorm van de verzoeking "om van stenen brood te maken" begon in het Atlantische tijdperk. De potentiële oorsprong daarvan is al in het Lemurische tijdperk te vinden – en wel in de verandering die de mens onderging toen zijn ogen zich voor de buitenwereld openden. Want de eerste waarneming van het minerale – al waren het slechts van minerale dampen – was de basisvoorwaarde voor de daarop volgende macht van dit minerale over het levende en bezielde.

      Deze macht had reeds een enorme ontplooiing bereikt in de tijd dat Christus Jezus in de woestijn verzocht werd. Die macht bleef ook na de verzoeking werkzaam, omdat de bestaansnoodzaak ervan door de woorden van Christus: "De mens leeft niet door brood alleen, maar door het Woord van God" werd erkend. Daarom blijft deze verzoeking bestaan en vormt ze het slagveld van de goede en kwade wezens in de wereld – tot in de verste toekomst.

2. De metamorfose van de innerlijke gevolgen

van de zondeval van de mensheid door Christus

Met de zondeval begon het karma van de mensheid. Oorspronkelijk was het nog niet individueel; het individuele karma, zoals dat vandaag de dag kan worden gezien en gekend ontstond pas later, pas in de Atlantische periode, toen de ontmoeting van de mensheid met Ahriman plaatsvond – als schutswal tegen hem. Wat er voordien was, zou misschien vakkundiger niet met het woord "karma", maar met "gevolgen van de zondeval" beschreven kunnen worden.

                Want de zondeval was een noodzakelijkheid voor de toekomstige hiërarchie van de vrijheid, en de gevolgen daarvan waren ook nodig voor het ontstaan van deze hiërarchie, bv. zoals water nodig is voor het ontstaan van de vissen. De mensheid was, als toekomstige hiërarchie van de vrijheid, niet alleen ervoor bedoeld om het kwaad tegen te gaan, maar om het in zich op te nemen. Dit was noodzakelijk om zowel het goede als het slechte innerlijk te leren kennen en als gevolg daarvan ook in staat te zijn innerlijk te beslissen. Want de ware vrijheid wordt niet ontwikkeld door de keuze van uiterlijke dingen, maar door de beslissing op grond van innerlijke kennis. De mens moest de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad eten, d.w.z. deze in zich opnemen, teneinde de noodzakelijke basisvoorwaarde voor de mogelijkheid van vrijheid te verwerkelijken.

                Zodoende is de zondeval eigenlijk de oorsprong van de aanleg tot vrijheid, en zijn de gevolgen van de zondeval de voorwaarden waarin de vrijheid kan worden ontwikkeld.

Deze gevolgen werden in twee richtingen duidelijk: enerzijds in de mens zelf en anderzijds in het uiterlijke lot van de mens. De uiterlijke noodzakelijkheden die zich als de gevolgen van de zondeval manifesteerden worden in de Bijbel als moeite, pijn en dood aangeduid. [1]

       Maar ook de veranderingen die zich in de mens als gevolg van de zondeval manifesteren, worden in de Bijbel aangeduid. In het derde hoofdstuk van Genesis worden namelijk de drie fundamentele veranderingen in het menselijk wezen voldoende duidelijk gekarakteriseerd. Daar wordt gezegd dat, nadat "de ogen van beiden geopend" waren, "zij zich realiseerden dat zij naakt waren ... En zij hoorden de stem van God die in de Hof bewoog in de koelte van de dag. En Adam verborg zich  met zijn vrouw voor het aangezicht van God ..." (1 Genesis 3:7-8). Drie dingen worden hier aangeduid: het ontstaan van een nieuw wereldbeeld, het ontstaan van een nieuw mensbeeld en het ontstaan van een nieuw Godsbeeld.

Doordat de ogen van mens geopend werden, veranderde de wereld. Die werd iets uiterlijks, wat ze voorheen niet geweest was. Voorheen was de wereld een innerlijke – een met innerlijkheid doordrenkte belevenis. Nu werd ze echter objectief. Ze stond daar voor de mens – buiten, buiten het levendige weven van de ziel. Het uit morele krachten geweven beeld werd tot het beeld van de "zuivere natuur". En dit blootleggen van de natuur was tegelijk een verhulling van haar oorspronkelijke bronnen. Terwijl de wereld van de feiten opdoemde, verduisterde zich de wereld van de daden.

                In deze wereld van uiterlijkheden werd de mens ertoe gebracht om zichzelf als onderdeel van deze wereld te leren kennen. Hij moest inzien dat ook hij een uiterlijk ding onder soortgelijken was. En dezelfde blik die hem de natuur onthulde, d.w.z. haar losgemaakt van het moreel-geestelijke toonde, stelde hem ook bloot aan zijn eigen natuur. De mens werd zich gewaar dat zijn menselijk wezen niet alleen beleefd, maar ook van buitenaf aanschouwd kan worden.

                De innerlijke beleving van zijn wezen en het beeld dat door de aanschouwing van buitenaf ontstond, waren echter fundamenteel verschillend. Want wat hij innerlijk van zichzelf beleefde was de ziel. Wat zich echter als beeld van zichzelf daar buiten liet zien, was een verschijning die van het morele en geestelijke ontdaan was.

                De mens leerde kennen dat hij in zich iets draagt dat ondoorzichtig is en zich tegenover het geesteslicht als duister voordoet. En er ontstond in hem de elementaire drang om deze duisternis niet aan het licht van de Geest te openbaren, maar hem te verbergen. Het resultaat was het elementaire gevoel van schaamte dat sinds de zondeval in het onderbewustzijn van de mensheid leeft.


Net zoals ten gevolge van de val een nieuw wereldbeeld en een nieuw mensbeeld ontstonden, ontstond ook een nieuwe relatie tot de goddelijke wereldleiding dat later een steeds vager Godsbeeld deed ontstaan totdat het uiteindelijk volledig verdween, zoals dit het geval is in het atheïsme.

                De verandering in de relatie tot de Godheid, die als gevolg van de zondeval intrad, bestond wezenlijk hierin dat er een verwijdering tussen de mens en de Godheid ontstond. Terwijl voorheen de Godheid de mens verwarmde en verlichtte, werd de mens na de zondeval in toenemende mate aangewezen op zijn eigen licht en warmte. Het Goddelijk licht en de Goddelijke warmte trokken zich terug. Het werd "avond" in de Hof van Eden en "de dag werd koel".

                In plaats van het licht en de warmte van de Godheid kon de mens alleen nog de "stem" en de "beweging" van de Godheid in de Hof van Eden waarnemen, d.w.z. terwijl de warmte-ether en de lichtether aan de menselijke willekeur werden blootgesteld, bleven de klankether en de levensether met de Godheid in verbinding (zie de voordrachtencyclus van Rudolf Steiner over het Evangelie van Lukas, 7de voordracht, Bazel 1909, GA 114). Maar daardoor werd de Godheid voor de mens slechts de gedachte en de zin van de wereld, terwijl deze eerder als licht en warmte door het wezen van de mens heen stroomde.

                Als gevolg van de verwijdering van het wezen van de mens door de zondeval van het wezen van de Godheid, leerde de mens de Godheid anders ervaren dan hij deze in de paradijselijke toestand had ervaren: wat destijds de bron van het begenadigde licht en de zalige warmte was, werd nu als rechterlijke macht van de wereld ervaren. En doordat de mens wensen en gevoelens aan de willekeur waren toegevallen, kon de mens de wereldgedachte en de zin van de wereld tegenspreken. Zo leerde de mens een nieuw gevoel ten opzichte van de Godheid, zijn rechter, te ervaren: de vrees.

                De kilte van de vrees was het die tegenover de eigen warmte van de schaamte ontstond. En de mens werd door de schaamte ertoe gebracht om de naaktheid van zijn natuurwezenheid te bedekken en door de vrees de naaktheid van zijn ziel, zijn wensen en begeertes voor het aangezicht van de rechter te verbergen.

                Sindsdien bestaat het etherlichaam, voor zover het niet is getransformeerd, uit de warmtestromingen van schaamte en de koude stromingen van vrees (zie de voordrachtencyclus van Rudolf Steiner Welke betekenis heeft de occulteontwikkeling van de mens voor zijn omhulling en zijn zelf? Den Haag 1913, GA 145, niet vertaald).


Doordat enerzijds de elementaire gevoelens van schaamte en vrees in de menselijke wezenheid als bestanddelen daarvan binnendrongen, en doordat anderzijds het idee en de zin (d.w.z. de klankether en de levensether) aan de menselijke willekeur onttrokken werden en met hun goddelijke bron van oorsprong verbonden bleven, ontstond er in de wereld – juist als gevolg van de zondeval – een nieuwe geestelijke realiteit, die van een enorme draagwijdte werd voor het lot van de mensheid en ook voor alle andere wezens in de wereld, namelijk het geheim.

                Het geheim kon slechts daardoor in de wereld ontstaan, en moest ook daardoor ontstaan dat het hogere aan de menselijke willekeur werd onttrokken en dat het lagere aan de rechtstreekse goddelijke leiding ontsnapte. Doordat de spirituele essentie van de klankether en de levensether van de goddelijke gedachten en het goddelijke zin van de wereld voor de menselijke willekeur afgesloten waren, ontstond het geheim van het goede; sindsdien moest de mens door middel van loutering, verlichting en inwijding, door transformaties van zijn wezen heen gaan teneinde waardig te worden om het geheim van het goede, de mysteriën van de geestelijke wereld te doorgronden.

                Doordat de lichtether en de warmte-ether, waarvan de essenties voelen en willen zijn, aan de willekeur onderworpen werden, verhulden de mensen zich in schaamte en vrees voor de geestelijke wereld. Maar aangezien schaamte en vrees voor het zuivere licht van de geest ondoordringbaar zijn, ontstond in de wereld het andere geheim, het geheim van de schaamte en de vrees, die gestolen hemels licht en gestolen hemelse warmte verbergen. De poort naar het mysterie van het kwaad en de poort naar het geheim van het goede ontmoeten elkaar in de mens; het ene verbergt zich achter de omhulling van schaamte en vrees in het onderbewustzijn van de mens, het andere wordt door de moeite van het zuivere denken, de pijn van de gevoelsloutering en de dood van de willekeur beschermd.

Aldus is sedert de tijden van de zondeval de mens de sleutel tot de poorten van het geheim van de geestelijke wereld voor de wereld van het kwaad geworden en tot de poorten van het geheim van de wereld van het kwaad voor de geestelijke wereld.

                Daarom moest Christus mens worden om het geheim van de lagen van het binnenste van de Aarde te leren kennen doordat Hij naar de hel als het onderbewustzijn van de Aarde afdaalde – en daarom kon Hij daarna dienovereenkomstig hoger tot de mysteriën van de Vader opstijgen in de Hemelvaart die op de afdaling in de hel volgde. Door de zondeval werd de mens zodanig aangelegd dat daardoor  hellevaart en hemelvaart mogelijk werden, d.w.z. een kennis van goed en kwaad  die op de huidige ontwikkelingsfase van de mensheid als volledig kan worden beschouwd. En als teken dat het grote gevolg van de zondeval, namelijk de dubbele geheimenis, door Christus zal worden afgeschaft, scheurde het gordijn voor het allerheiligste van de tempel en geschiedde de aardbeving in het uur van de dood aan het kruis. Het geheim van het goede zal nu worden onthuld – dit is de belofte die door het beeld van het scheuren van de tempelgordijn uitgesproken is; het mysterie van het kwaad zal volledig ontmaskerd worden –  dit is de belofte die door de beving van de aardbodem tot uitdrukking kwam.

                Nu betekent echter de ontmaskering van het geheim van het kwaad door het goede: het overwinnen van het kwaad door diens transformatie tot het goede. Aldus betekent het mysterie van Golgotha welke het geheim van de wereld zal vernietigen, de verlossing van de gevolgen van de zondeval die alle in de kosmische lotsbestemming van het geheim samengevat zijn.

                Sindsdien wordt de geschiedenis van de geestelijke wereld tot de geschiedenis van de voortschrijdende openbaring van het geheim van de geestelijke wereld – en niets en niemand zal in staat zijn om de stroom van deze openbaring te verhinderen! Anderzijds wordt sindsdien het kwaad meer en meer ontdekt en daardoor ook overwonnen.

     Er staan nog steeds de meest schokkende onthullingen te gebeuren, en alle moreel ontwaakte mensen zullen ook in de tegenwoordige tijd een aanzienlijk deel van de ontmaskering meemaken; ze zullen echter ook anderzijds belangrijke waarheden uit de openbaringsbron van de geestelijke wereld mogen ontvangen.

Voordat echter het einde van de geheimenis door het mysterie van Golgotha bezegeld kon worden, werden door de Passie van Christus Jezus de interne oorzaken van de aanwezigheid van het geheime overwonnen en getransformeerd. Wat ten gevolge van de zondeval in het innerlijk van de menselijke natuur binnendrong, werkte dat van buitenaf in op Christus Jezus tijdens de Passie: terwijl na de zondeval de mens gewaarwerd dat "hij naakt was", werd Christus Jezus aan elke mogelijke vernedering blootgesteld, en krijgen de woorden van Pilatus: "Ecce Homo" de betekenis van de sacraal-wereldhistorische uitspraak van het gerecht over de menselijke natuur, zoals die na de zondeval geworden is. Wat als schaamte in de menselijke natuur leefde, ervoer Christus Jezus in de buitenwereld als vernedering en hoon. En wat na de zondeval als vrees in de menselijke natuur binnendrong, dat stormde van buitenaf op Christus Jezus toe als haat. De lijdensweg van Christus was het lijden onder het karma van de mensheid van de zondeval, d.w.z.: het was de weg van het overwinnen van de illusie van het uiterlijk en van de elementaire krachten van schaamte en vrees. Dit karma nam Christus op zich, en leed er onder voor de mensheid als haar representant. En aldus zijn de woorden: "Hij nam de schuld van de wereld op Zich" letterlijk waar, want het lijden van Christus was de vereffening van die schuld.

                Maar in een nog diepere betekenis zijn deze woorden van de christelijke traditie waar: Christus nam niet alleen de gevolgen van de schuld van de mensheid op Zich, maar ook de schuld zelf. Het offer van Christus was zelfs nog groter dan het lijden onder de gevolgen van de schuld van de mensheid, terwijl Hij er zelf niet schuldig aan was: Christus leed niet onder het karma van de zondeval met het bewustzijn van zijn onschuld, maar met het bewustzijn van schuld. Zijn offer ging zoveel verder dat Hij ook in Zijn bewustzijn de schuld van de mensheid opnam en deze als Zijn eigen schuld ondervond. Zijn liefde was zo groot dat Hij zich volledig met de mensheid geïdentificeerd heeft. Hij was vertegenwoordiger van de mensheid, niet alleen als het ideale voorbeeld ervan, maar ook als haar geweten, dat van het bewustzijn van schuld van de mensheid voor de Vader geheel vervuld was. Het bewustzijn van de onschuld van Christus moet in Zijn omgeving, in de mensheid, leven, het leefde echter niet in Hem. Want niet met het bewustzijn van de door Hem ondergane onrechtvaardigheden ging Hij de kruisdood in, maar met het bewustzijn van het volbrengen van de goddelijke gerechtigheid. De in het Evangelie van Johannes overgeleverde woorden van de stervende Christus Jezus aan het kruis "Het is volbracht" klinken niet als laatste verwijt aan de onrechtvaardigheid van het menselijk oordeel, maar ze klinken als een plechtige, ja feestelijke aankondiging dat de rechtvaardigheid van het goddelijk oordeel volbracht is.

Nu is het echter de taak van de mensheid zich des te sterker van de onrechtvaardigheid van het menselijk oordeel en de onschuld van Christus Jezus bewust te worden. Zoals de inhoud van het geweten van de gekruisigde Christus Jezus het bewustzijn van schuld van de erfzonde was, zo zal de inhoud van het geweten van alle mensen die christen willen worden steeds meer het bewustzijn van schuld aan een onrechtvaardig gerecht en de kruisiging van Christus worden. Het is noch sentimenteel noch mystieke vervoering, maar slechts empirisch feit van elke kraakheldere geestelijke kennis dat de rechtspraak over Christus Jezus door de gehele mensheid werd volbracht en dat bijgevolg de gehele mensheid voor dit oordeel verantwoordelijk is.

                Want bij het oordeel  over de Christus waren alle krachten van de menselijke natuur betrokken; op de rechterstoel zaten destijds de representatieve eigenschappen van de hele mensheid, en het resultaat van hun samenwerking was – de kruisiging. Dit feit wordt in een volgende overweging in meer detail besproken. Hier komt het er voorlopig alleen op aan het feit louter aan te geven, om naar een reden voor het noodzakelijke fundamenteel morele besef van de na-christelijke mensheid te wijzen.

                Het gaat er namelijk om – en in de toekomst zal het er steeds meer om gaan – te ontwaken tot het bewustzijn van het feit dat wij degenen waren die de Christus veroordeeld hebben. Want zo waar als het is dat twijfel, haat en vrees in welke vorm dan ook in ieder mens wonen, zo waar is het dat in ieder mens Pilatus, de Raad van Oudsten, de loochenende Petrus, ja ook de verradende Judas in de een of andere vorm leven. En wanneer de macht van Pilatus, de macht van de Raad van Oudsten, de macht van de loochenaar, de macht van de verrader in mensen leven – waarom zou het bewustzijn van de schuld van Pilatus, de schuld van de Raad, van Petrus, van Judas dan niet tevens in de mens leven? Zouden wij onschuldig zijn, alleen omdat de krachten die nu in ons leven, destijds door andere individualiteiten tot uitwerking kwamen? En als men al spreekt over de individualiteiten die direct betrokken waren bij de totstandkoming van de veroordeling van de Godmens, zou het dan niet eerlijker zijn om hen zodanig te beoordelen, wanneer men bedenkt dat bv. Judas zichzelf berecht en veroordeeld heeft, en dat bv. Petrus de marteldood door kruisiging doorleed, waarbij hij nederig vroeg om met zijn hoofd naar beneden gekruisigd te worden, omdat hij zich niet waardig achtte als Christus gekruisigd te worden ... Als men dit alles overweegt en dan nog de bedoeling niet varen laat om de vraag naar schuld aan de kruisiging met individuele persoonlijkheden in verband te brengen, dan zou men zichzelf moeten onderzoeken, en zich afvragen of men echt nog nooit de Christusimpuls heeft verraden – en zo ja, of men zichzelf dan ook net zo streng geoordeeld heeft als bv. een Judas dat deed? Dan wel, of men de karmische last met dezelfde nederigheid als bv. een Petrus heeft gedragen?

Aldus is door het mysterie van Golgotha de grote morele weegschaal van het gehele na-christelijke gewetensleven van de mensheid opgericht: op de ene schaal van deze balans ligt de schuld van Christus Jezus voor de Vader namens de mensheid en op de andere schaal dient de schuld van de mensheid voor het onrechtvaardige oordeel over Christus Jezus geplaatst te worden.

                Wanneer echter het uur zal zijn aangebroken waarop de Aarde haar levensloop voltooid zal hebben en waarop de hele mensheid het samenvattende Kamaloka van het gehele aardse bestaan zal hebben door te maken – dan zal deze weegschaal de hele wereld voor ogen staan, en zal de moraliteit van het bewustzijn van de mensheid worden gewogen. De inhoud van het Laatste Oordeel zal de beproeving van het geweten van de mensheid zijn door het beeld van het oordeel van de mensheid over Christus Jezus. En de mensen zullen zich dan in twee grote groepen splitsen, afhankelijk of ze de ervaring van hun aardse kruisiging op de manier van de misdadiger die aan de rechterkant van Christus Jezus gekruisigd werd doorgemaakt zullen hebben, dan wel op de manier van de misdadiger die aan de linkerkant van Christus Jezus gekruisigd werd. De beslissende factor zal zijn of de stem van het menselijk geweten met de stem van de goede misdadiger in het aardse bestaan meeklonk in de woorden: "Wij lijden aan wat we verdienen en het wordt aan ons voltrokken naar de waarde van onze daden – deze man heeft echter niets verkeerds gedaan." (Lukas 23:41).

                Deze woorden zijn het hoogste wat een mens vanuit zijn gehele wezen over het mysterie van Golgotha kan uitspreken. Weten kan de mens uiteraard veel, heel veel over de kosmische betekenis van het mysterie van Golgotha, maar vanuit zichzelf kan hij aan dit mysterie alleen datgene bijdragen, wat door de woorden van de goede misdadiger wordt uitgedrukt. Want door deze woorden komt de innerlijke transformatie van de Luciferische impuls die door de zondeval in de mens kwam tot uitdrukking. Deze woorden zijn het resultaat van het mysterie van Golgotha in het menselijk geweten. En slechts in zoverre de mensheid leren zal om zich meer en meer te identificeren met de impuls van het geweten die in deze woorden doorklinkt, zal de de gevolgen van de zondeval overwinnende Christuskracht in het menselijk bewustzijn binnentreden.

                Zoals in de Bijbel de bewustzijnstoestand van verbondenheid met de spirituele wereld die door de zondeval van de mensheid verloren ging als "paradijs" wordt aangeduid, zo luidde – en zal ook steeds in de toekomst de onmiddellijke reactie van de Christusimpuls op deze woorden van het op Golgotha ontwaakte menselijk geweten luiden: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn" (Lukas 23:43).

                Zo waar als het is dat het mysterie van Golgotha het door de zondeval verloren paradijs weer terugbrengt, zo waar is het aan de andere kant dat de verwerkelijking van deze mogelijkheid voor ieder mens afhankelijk is van de vraag of hij vanuit zijn vrije Ik het voor het mysterie van Golgotha noodwendige bijdraagt. En dit noodwendige is vervat in de stem van de goede misdadiger; het zal in de grond van de zaak de morele toetssteen leveren, naar welke de mensheid in eerste instantie in twee na-Atlantische karmische stromingen gescheiden zal worden, waarna de mensheid zich dan in twee culturen en uiteindelijk in twee rassen zal scheiden. En het zal ook de doorslaggevende factor na het afsluiten van het aardse bestaan zijn, waarmee na het mensheid omvattende Kamaloka (het "Laatste Oordeel") de scheiding in twee planetaire bestaanssferen zal plaatsvinden.

Toen het karma van de zondeval door middel van het mysterie van Golgotha werd vereffend was daaraan de ervaring van identificatie met de gevallen menselijke natuur voorafgegaan, d.w.z. het ondergaan van het feit van het vrij geworden, maar eenzame en door de geest van de wereld afgesnoerde menswezen. Dit gebeurde in de nacht van Gethsemane. In die nacht ervoer de Christus Jezus niet alleen het bewustzijn van de mens, maar ook diens onderbewuste tot in de diepe ondergronden van de lichamelijkheid. Want terwijl bij de verzoeking in de woestijn Christus Jezus de in het onderbewustzijn van de menselijke natuur werkende krachten aanschouwde en onderkende, beleefde hij ze nu innerlijk in Zichzelf als een onderdeel van Zijn wezen. En wel ervoer hij innerlijk de tegenwoordige werking van die kracht die in de gestalte van de verzoeking, stenen in brood te veranderen, zich in de woestijn bij Hem had aangediend. Want er bleef bij die verzoeking toen een niet-doorziend deel over, dat geldig moest blijven en dus in het onderbewustzijn van de lichamelijkheid Christus Jezus verbleef, en de oorzaak werd van de innerlijke strijd  tijdens de nacht van Gethsemane.

                In die nacht vond de geboorte van de zuiver menselijke liefde plaats. Want terwijl Christus de goddelijke liefde, de liefde van de geestelijke wereld, op Aarde bracht, moest Hij de menselijke liefde in de wereld ervaren om zijn Godmenselijkheid te verwerkelijken. In Christus Jezus diende de verbinding van de hoogste liefde van het goddelijke wezen met de hoogste liefde van de aardemens plaats te vinden. En voor dit doel was de vereniging van Christus met het wezen van de Nathanische Jezus noodzakelijk. Terwijl Christus bij de verheerlijking op de berg Tabor de Goddelijke liefde in de mensenwezenheid van Jezus liet instralen, straalde 's nachts in de Hof van Gethsemane uit de eenzame en verlaten mensenwezenheid het licht van de menselijke liefde in de goddelijke wezenheid van Christus in.

                Tot de mysteriën van de menswording van Godmens behoort ook het feit dat Christus niet alleen diende te geven, maar ook te ontvangen; niet alleen diende te onderwijzen, maar ook te leren. Wat Hij te geven, te onderwijzen had – het was de goddelijke liefde van de Zoon; wat Hij te ontvangen, te leren had – dat was de menselijke liefde die uit de wezenheid van de Nathanische Jezus, als de zusterziel van Adam, in de nacht van Gethsemane geboren werd.

                En zoals bij de verheerlijking het besluit van de goddelijke liefde – tijdens de slaap van de drie discipelen – werd genomen om de dood aan het kruis van Golgotha te ondergaan, zo werd 's nachts in de Hof van Gethsemane het besluit door het menselijk wezen genomen, vanuit de menselijke liefde – eveneens tijdens de slaap van drie discipelen – om de beker van de gevolgen van de zondeval voor de gehele mensheid te drinken.

                Opdat deze beslissing een echt menselijke zou zijn, moest het strijdtoneel van de verzoeking in de woestijn om stenen in brood te veranderen in de Jezuswezenheid aanwezig gebleven zijn. En doordat de hoogste liefdeskracht dit gebied vervulde, gebeurde daadwerkelijk het wonder van de transformatie van een dode tot een levende: het wonder van de Opstanding.

Zodoende was de Gethsemane-scène de voortzetting van de verzoekingsscène in de woestijn. Toen werd de strijd tot het einde uitgevochten. Dat de strijd met de verzoeking in de woestijn nog niet ten einde was, komt duidelijk tot uitdrukking in het Lukasevangelie. Daar zegt de evangelist: "Toen de verleider de verzoeking beëindigd had, week hij voor een tijd van Hem" (Lukas 4:13) ... En deze tijd waarin de verzoeking moest blijven bestaan duurde tot het uur van Gethsemane.

________________________________________

[1] Over de zogenaamde "drie vervloekingen" van de Vader werd vanuit het standpunt van de geschiedenis van de mysteriënwijsheid uitvoerig gesproken in de tiende beschouwing over het Oude Testament; in de huidige beschouwing is hierover vanuit een ander gezichtspunt meer te zeggen.

  

3. De metamorfose van de uiterlijke gevolgen

van de zondeval van de mensheid door Christus


Als de innerlijke gevolgen van de zondeval bestonden in de waarneming van buiten, van schaamtegevoel en angst, dan waren de externe gevolgen daarvan, d.w.z. de lotsvoorwaarden van de mensheid, moeite, ziekte en dood.

                Deze drie oernoodzaken van het menselijke leven sinds de zondeval hebben niet de betekenis van een straf, maar van de bescherming van de mensheid tegen de grootste gevaren op de weg naar de vrijheid. In hoeverre deze noodzakelijkheden van de mensheid bescherming tegen de gevaren van het ten prooi vallen aan het kwaad betekenen, daarover was reeds elders (in de X. beschouwing over het Oude Testament) sprake; hier gaat het om de samenhang van deze drie noodzakelijkheden met de uitwerkingen van de verzoekingen van Christus Jezus in de woestijn op te tekenen. En deze samenhang wordt zichtbaar als men de in het vorige hoofdstuk behandelde verbinding van de overwinning van de dood door het mysterie van Golgotha met de Gethsemane-nacht en dit op zijn beurt met de verzoeking in de woestijn om stenen in brood te veranderen heeft begrepen. Want zoals het feit dat deze onvoltooid gebleven verzoeking het leed van de Gethsemane-nacht - en daarmee ook de hele Passie – tot gevolg had, hadden de wel voltooide twee andere verzoekingen in de woestijn het gelukzalige van de openbaringen en genezingen tot gevolg die Christus gedurende drie jaar de mensheid als een geschenk kon aanbieden.


Aldus maakte de overwinning van de verzoeking om "de rijken van deze wereld, geschouwd in een oogopslag" te erkennen, de openbaring van de leer van een nog niet voorhanden wereld van liefde mogelijk die deze wereld te verslaan en te transformeren heeft. De verkondiging van het Rijk Gods door Christus kon alleen gebeuren doordat de fascinerende macht die uitging van de aanblik van de rijken van deze wereld "in al hun heerlijkheid” werd overwonnen. Het opende de weg voor de stroom van de verkondiging van het Rijk Gods doordat het tableau van de toestand van deze wereld die deze uit achter haar staande krachten tracht te bereiken, door Christus Jezus werd doorzien en – als een mistbank die door de zonnestralen doorbroken wordt – doorbroken werd.

                De tekenen (wonderen) echter die Christus Jezus heeft verricht, konden gebeuren, omdat de verzoeking vanaf de "tinne van de tempel" te springen, d.w.z. wonderen door niet-doorziende krachten van het onderbewustzijn te voltooien, werd overwonnen. Want het wezenlijke van de tekenen en wondergenezingen die Christus Jezus volbracht, was niet het buitengewone en bijzondere ervan, dus niet het "wonder" per sè, maar het feit dat deze tekenen en genezingen vanuit het bewuste en wakkere Ik tot stand werden volbracht. En dit was zo niet mogelijk geweest, indien de verzoeking om het onderbewustzijn te vertrouwen, niet eerder zou zijn afgewezen. Het verrichten van de wonderdaden van Christus Jezus vanuit het bewustzijn werd alleen mogelijk doordat de afwijzing van het verrichten van wonderdaden vanuit het onderbewustzijn daaraan voorafgegaan was.

Wil men heden ten dage niet bij een algemene gewaarwording blijven, maar een werkelijkheidsgetrouw begrip van het wezen van het "Rijk Gods" en de  "wonderen" van Christus Jezus vormen (hetwelk begrip dan – zoals elk spiritueel, actief ontwikkeld begrip tot een venster in de geestelijke werkelijkheid kan worden), kan men dit begrip ontwikkelen aan de hand van de geschriften van Rudolf Steiner die zijn antroposofische publicaties voorafgingen. Als men bv. Rudolf Steiners Mystiek en het moderne denken (GA 7) doorneemt en zich afvraagt, nadat de rode draad van het verhaal en de gedachtegang helder voor ogen staan: wat wilde Rudolf Steiner door het beschrijven van de mystiek zeggen? – dan licht de centrale gedachte van dit werk op die daarin in verschillende vormen telkens opnieuw wordt uitgesproken, namelijk de grote idee van Godsvriendschap. Dit idee kan op verschillende manieren uitgedrukt worden – en werd inderdaad ook door individuele mystici op verschillende manieren uitgedrukt, ja, ook op verschillende manieren beleefd – maar de essentie ervan raakt men echter als men zeg dat de opgave van de mens daarin bestaat om vanaf het punt waar het scheppingsproces van de wereld af is en ophoudt, actief in te grijpen en het onvoltooid gebleven wordingsproces voort te zetten. Dan neemt de mens de voortzetting van de scheppingswerkzaamheid van God over en wordt hij daardoor zelf een bewuste medewerker, een Godsvriend.

                Zo vatte bv. [de Duitse mysticus] Tauler de bestemming van de mens op; dit was ook de zin van de alchemie van [de Zwitserse arts] Paracelsus, zoals hij het begreep; dit is ook datgene wat Rudolf Steiner de lezer aan de hand van de geestesgestalten van de mystiek wilde vertellen, doordat hij de grote, lichtende gedachten voor de ziel van de lezer plaatste: waar het gegeven, het afgewerkte ophoudt, daar kan de mens de wording van een nog niet zijnde verwezenlijken.


Deze gedachte, die uit Rudolf Steiners Mystiek van het moderne denken lichtend naar voren komt, werd door hem al in de twee delen van de Filosofie van de vrijheid (GA 4) voor het kennen en het handelen op filosofische wijze in alle consequenties voor het huidige bewustzijn uitgewerkt. Daar toont Rudolf Steiner aan dat menselijke kennis tot stand komt door het toevoegen van een niet-gegeven aan het waargenomen gegeven: een uit een ander "rijk" gebrachte. Kennis ontstaat m.a.w. doordat de intuïtie van iets dat verborgen is bij de waarneming wordt toegevoegd. En de morele menselijke daad vloeit eveneens voort uit het feit dat de morele fantasie resultaat doeltreffend inwerkt op de gegeven situatie. Men kan ook met andere woorden zeggen: de afgewerkte natuurrijken – en ook het mensenrijk zoals het geworden is - zijn er, maar de mens kan een ander, nog niet geactualiseerd rijk realiseren – het Rijk Gods. En dit Rijk verschilt ook in zijn eigenschappen en wetmatigheid van de Rijken van deze geworden, afgewerkte wereld zoals de Verkondiging en de tekenen van Jezus Christus verschillen van de natuur en de "Wet van de Oudsten." De aangewezen werken van Rudolf Steiner leiden daadwerkelijk tot het christendom; men krijgt een zuivere en spirituele jeugdige relatie tot de predikingen en tekenen van Jezus Christus, wanneer men deze preken als de verkondiging van het nieuwe Rijk, het Rijk der Hemelen, opvat en de tekenen als de daden van dit Rijk – en wel met de begrippen opvat die men uit de Mystiek en het moderne denken en de Filosofie van de vrijheid heeft verkregen. Dan worden de "wonderen" van Christus openbaringen van de hoogste “morele fantasie" en zijn toespraken verkondigingen van het Rijk van "intuïties", van waaruit de mens te scheppen heeft om het werk van de bestaande wereld verder te voeren. Komt daarbij nog de bewerkte idee van Rudolf Steiners boek Het christendom als mystiek feit (GA 8), namelijk de idee dat het christendom de verwezenlijking van de mysteries van de oudheid is, d.w.z. dat in het christendom mysteriënsymboliek mystiek feit is geworden, dan beleeft men door dit idee een soort innerlijke bewustzijnsheldere en vrije communie, zoals men door de idee van de Filosofie van de vrijheid een soort vrije, bewust innerlijke doop beleeft. Want door de Filosofie van de vrijheid (en enkele andere werken die tot deze lijn behoren) sluit men zich bij het christendom aan om als de impuls om uit vrijheid mee te werken aan de verdere ontwikkeling van het gewordene; door  het werk Het christendom als mystiek feit komt men echter tot Christus als de wezenheid die achter deze impuls staat en die door daden het verloop van het lot van de mensheid veranderd heeft.

Aldus is wel degelijk in de voorbereidende werken van de antroposofie van Rudolf Steiner al de mogelijkheid gegeven om een nieuwe toegang tot het christendom te vinden – en weliswaar als het “woord” van het Rijk, als het "teken" van het Rijk en als de daad van de inbedding van het Rijk in het aardse gebeuren, d.w.z. het mysterie van Golgotha.

                Deze drie aspecten van het christendom worden ook in de Evangeliën beschreven, behalve dat de huidige manier van het lezen en interpreteren van de Evangeliën het noodzakelijk maakt om een nieuwe weg tot het christendom te vinden, waarop ook de Evangeliën in hun betekenis voor de mensheid herwonnen worden.

                Deze drie inhoudelijke aspecten van de Evangeliën zijn, zoals gezegd, de uitwerking van de drie verzoekingen in de woestijn en betekenen de metamorfose van de innerlijke en uiterlijke lotsgevolgen  van de oorspronkelijke verzoeking van de mensheid in het paradijs. Aldus behelst het "Woord" de overwinning van het lijden van moeite; de tekenen en wonderen betekenen de genezing van ziekte en het mysterie van Golgotha heeft de betekenis van de overwinning op de dood.


Neemt men bv. de Bergrede als de centrale verkondiging van het Rijk door het woord om zodoende de negen zaligsprekingen nader te beschouwen, dan zal men vinden dat de negen zaligsprekingen de innerlijke transformatie van lijden, moeite en arbeid behelzen die door de negen wezensleden van de mens gemaakt wordt. Want de zaligsprekingen, bv. de bedelaar om geest heeft niet de betekenis dat de toestand van geesteloosheid zalig zou zijn, maar dat de moeite die zich een mens getroost die zijn eigen geestelijke armoede kent en derhalve voortdurend naar de geest verlangt tot innerlijke gelukzaligheid leidt.

                Eveneens is met de tweede zaligspreking, namelijk van dragers van leed geen toestand maar een activiteit bedoeld. En wel is daar het soort activiteit bedoeld dat het etherlichaam de sterkste weerstand biedt; het leed dat gemoeid is bij het overwinnen van deze weerstand wordt in deze zaligspreking bedoeld.

                Ook bij de zaligspreking van de zachtmoedigen komt het niet op een natuurlijke toestand aan, maar gaat het over de moeite die men zich getroost om de obstakels in het astraallichaam te overwinnen – de beheersing van het astraallichaam is wat wordt aangeduid als "zachtmoedigheid".

                Niet minder duidelijk komt dit basisidee in de volgende zaligsprekingen tot uitdrukking. De nadere beschouwing daarvan moet voor een volgende bijdrage voorbehouden worden; hier komt het alleen erop aan om de grondgedachte uit te spreken dat het Woord van Christus Jezus de impuls tot de metamorfose van moeite betekent.


De getransformeerde moeite wordt in de Evangeliën met geloof, Pistis gekenmerkt. Onder "geloof" wordt daar niet het voor-waar-aannemen van eigen opvattingen, laat staan van die van anderen, begrepen, maar het aanpakken en tot eigen wilsaangelegenheid maken van een wordende realiteit van de bovenzinnelijke wereld.

                Wat er al is – het kan gekend of niet gekend worden, maar wat er als mogelijkheid voor deze wereld en de werkelijkheid in een hogere wereld leeft –  dat kan (in de zin van de Evangeliën) alleen geloofd of niet geloofd worden. In die zin kan men bv. niet weten of de Michaelimpuls in de huidige geestesstrijd zal zegevieren. Men kan het niet weten, omdat de uitkomst van deze geestesstrijd nu eenmaal van de vraag afhangt of binnen de mensheid er voldoende geloof aan het werk van Michael wordt geschonken, d.w.z. of er zich van de kant van de mensheid niet alleen een observerende, maar ook een medewerkende stroom van menselijke wil aansluit. Als men alleen maar het bestaan van deze strijd kent, dan weet men dat die strijd wordt geleverd; maakt men echter de uitkomst van deze strijd tot zijn eigen zaak, dan ontwikkelt men een spirituele kracht die de gebeurtenissen niet alleen constateert maar ook meebepaalt.

                Zo'n bereidwillige aanpak van een toekomstig gebeuren kenmerkt Christus Jezus met het woord "geloof"; het komt ook in zijn toespraken niet op de kennis van het Rijk aan, maar op het geloof in het Rijk. Want het Rijk is nog geen gewordene; het is werkelijkheid in de hemelen, een Rijk der hemelen (βασιλεία τπν ούρανπν), maar voor de Aarde is het slechts een mogelijkheid, waarvan de verwerkelijking van de vrije aansluiting van de mensheid, van haar geloof afhangt.

                Terwijl door kennis de wereld gekend wordt zoals die geschapen is, vormt geloof de wereld om. Het geloof kan bergen verzetten, omdat nu eenmaal het geloof dezelfde kracht in de mens is die destijds de bergen buiten de mens opgehoopt heeft.

Maar het zou desondanks niet juist zijn om te spreken van een tegenstelling tussen wetenschap en geloof. Deze tegenstelling is in feite helemaal niet voorhanden. Want in werkelijkheid is het geloof, zoals het in de Evangeliën bedoeld is, niets anders is dan een kennis die niet alleen gedacht en gevoeld, maar ook gewild wordt. Als een kennis niet alleen het denken tot nieuw leven wekt, maar ook het voelen en willen, dan wordt kennis –  in de oorspronkelijke betekenis van het woord – geloof.

                Geloof is dus niets anders dan een kennis waarbij de hele mens wordt betrokken. Kent de mens niet alleen met een gedachte, niet alleen met een gedachte en gevoel, maar met zijn denken, voelen en willen, dan hecht hij geloof aan de zaak, het object van deze kennis. Wat de hele mens heeft gekend - dat is geloof in christelijke zin.

Zo bezien is datgene wat vandaag onder kennis wordt begrepen, slechts een stap in het geloof, terwijl datgene wat men vandaag de dag onder geloof begrijpt meestal niets anders is dan een kennis die het niveau van zekerheid nog niet heeft bereikt.

                Deze begrippen zijn tegenwoordig gewoon verschoven – de volrijpe kennis (geloof) is daarbij een onzekere kennisfactor geworden, een subjectieve aanname, terwijl het onrijpe geloof (kennis in moderne zin) als het hoogste niveau van zekerheid neergezet werd; daarbij is echter het ware begrip geloof helemaal ten onder gegaan.

Terwijl het Woord van Christus Jezus het geloof wekte, waren het Zijn  tekenen en wonderen die dit geloof veronderstelden. Want die hadden de opgave om niet het geloof, maar de werking ervan te openbaren. Deze werking bestond uit het omvormen, uit het genezen van ziekte, zowel van de menselijke verhoudingen alsmede de psychosomatische gesteldheid van individuele mensen. Aldus werd bv. op de bruiloft te Kana het teken gegeven met het oog op de genezing van het huwelijk, als een menselijke relatie; bij de genezing van de blindgeborene werd echter een individueel mens genezen, terwijl het zich bij de opwekking van Lazarus om de genezing van de initiatie, van het mysteriënwezen van de mensheid handelde.

De tekenen en wonderen waren openbaringen van de werkelijkheid van het Rijk. Zoals door het woord het Rijk werd verkondigd, zo werd het door tekenen in diens werkelijkheid geopenbaard. Deze werkelijke openbaring van het Rijk der hemelen op Aarde is datgene wat in de Evangeliën – en met name door Paulus – liefdeagape werd genoemd. Daar had de liefde niet alleen de betekenis van een menselijk gevoel, maar van een zodanige toestand van het hele menselijke wezen, dat het Rijk der hemelen op Aarde aanwezig en werkzaam kon zijn. Kon zich de mens in zijn kennis tot een bovenzinnelijke werkelijkheid verheffen, en deze met zijn gehele wezen, door denken, voelen en willen opvatten, dan had hij het geloof; daalde echter deze bovenzinnelijke werkelijkheid in de fysieke wereld neer, doordat ze de mensen vervulde, dan werd het liefde.

                Keek de mens echter naar het mysterie van de kruisiging en opstanding van Christus Jezus als de overwinning van de liefde op de dood, dan ontwaarde hij het grote doel,  hij keek naar het grote doel, de grote toekomstige taak van de liefde in de wereld. En de kracht die uit de beschouwing van het mysterie van Golgotha voortvloeide en voor de toekomst bewaard en opgeslagen werd voor de toekomst, wanneer de tijd zal aanbreken om de dood te overwinnen – deze toekomstige kracht van de liefde die zich eenmaal als overwinnares van de dood zal bewijzen, kenmerkt Paulus als hoop, als Elpis.

Aldus hadden de drie "theologische deugden" van de middeleeuwse scholastiek bij Paulus, die de oorspronkelijke zin van deze dingen gekend heeft, een betekenis die een subjectieve zielsmatige houding dienaangaande ver overschreed. Want het oorspronkelijke christelijke geloof was de kennis van het Hemelrijk met het gehele wezen van de mens; de afdaling van dit Rijk tot de zintuiglijke werkelijkheid door middel van het menselijke wezen was de oorspronkelijke betekenis van de liefde en de toekomstige kracht ter overwinning van de buitenmenselijke, objectieve kracht van de dood was de christelijke hoop, waar Paulus op doelde.

                En de daadwerkelijke instroom van deze drie fundamentele krachten van ziel en geest heeft de mensheid te danken aan het Woord, de tekenen en de offerdaad van Christus Jezus die door de overwinning van de drie verzoekingen in de woestijn mogelijk werd gemaakt. De drie fundamentele krachten van het Christendom zijn dus uiteindelijk uitwerkingen van de drie verzoekingen in de woestijn voor het bewustzijn van de mens.

Het wezenlijke van de geestesstrijd die in het heden en in de millennia wordt uitgevochten die de zesde en zevende na-Atlantische cultuurperioden omvatten, is de strijd om de ontplooiing van deze drie fundamentele krachten van het positieve geestelijke leven van de mensheid.

                Bij het huidige, d.w.z. het vijfde cultuurtijdperk komt met name de strijd om het geloof in aanmerking. In deze strijd is het de opgave van de geesteswetenschap die Rudolf Steiner in het leven heeft geroepen om de mensheid de weg naar een zodanige kennis mogelijk te maken die geleidelijk de hele mens erbij betrekt, d.w.z. de mensheid het geloof in de ware zin van het woord brengt.

                Pas in het zesde cultuurtijdperk, van "Filadelfia", zal het ook reeds om de werkelijkheid van de liefde gaan. Dan zullen het sociale en het antisociale tegenover elkaar staan, zoals tegenwoordig geestelijke kennis en scepsis tegenover elkaar staan. Zoals vandaag kenniszekerheid tegenover twijfel wordt gesteld, zal in het Filadelfische cultuurtijdperk sociale liefde, broederschap, de haat het hoofd moeten bieden.

                Het zevende cultuurtijdperk (in de Apocalyps "Laodicea" genoemd) zal daarentegen als middelpunt van haar lot de strijd om de verloochening van de toekomst hebben, de hopeloosheid tegen de christelijke opstandingsbevestiging van de toekomst, tegen de hoop. Deze dingen zijn duidelijk in de Openbaringen van Johannes uitgesproken; ze kunnen echter door elk dieper denkend en voelend mens direct ingezien worden die eenmaal heeft begrepen dat het hele verdere verloop van de mensheidsgeschiedenis niets anders is dan de strijd tegen de Christusimpuls en het in stand houden van deze impuls in het lot van de mensheid.

I. DE VERZOEKINGEN VAN DE WOESTIJN


1. Over het onderscheid tussen het Oude en Nieuwe Testament

De gebeurtenis van de doop in de Jordaan werd al in de laatste beschouwing over het Oude Testament beschouwd als de vervulling van dit Oude Testament; er hoeft daarom niet meer ingegaan te worden op deze gebeurtenis, maar op het direct daarna volgende geestelijke gebeuren. De na de doop in de Jordaan direct volgende grote geestelijke gebeurtenis was de verzoeking in de woestijn. Want nadat de Christuswezenheid bij de doop in de Jordaan haar intrek nam in Jezus van Nazareth en daardoor Jezus Christus werd, werd zij, zoals de Evangelist zegt  “door de geest in de woestijn geleid” (Luk. 4:1), waar Jezus Christus veertig dagen “vastte.”

                Laten wij nu proberen een gewaarwording te krijgen voor het grootse, het geweldige dat door deze korte zin van de evangelist is uitgesproken: Jezus werd door de geest in de woestijn geleid. Daarvoor is het noodzakelijk om enkele dipngen te beschouwen die tot het gebied behoren van de intieme belevenissen van het innerlijk van de mens op weg naar de geest. Want nadat de Christuswezenheid door de doop in de Jordaan in de stroom van het menselijke was binnengetreden, kan het verdere verloop van haar weg van het lot enkel worden begrepen door een dieper begrip van het menselijke tot in de diepste lagen van zijn wezen. Voor een begrip van de gestalten van het Oude Testament was het noodzakelijk om van de bovenmenselijke feiten – de werkzaamheid van de hiërarchieën tot aan de eeuwige Triniteit – uit te gaan om de concrete gestalten en gebeurtenissen te begrijpen. Bij de beschouwing van het Nieuwe Testament moet daarentegen een geheel andere weg worden begaan: daar moet van het menselijke worden uitgegaan om de uit het menselijke getrokken lijnen tot aan het bovenmenselijke, tot aan het goddelijke omhoog te trekken. Terwijl bij de beschouwing van het Oude Testament het menselijke alleen begrijpelijk kan worden vanuit het goddelijke, is het bij het Nieuwe Testament omgekeerd: daar kan het bovenmenselijke, het goddelijke alleen door het menselijke begrijpelijk worden.

                Dit onderscheid wordt vaak niet in acht genomen, d.w.z. de gestalten en gebeurtenissen  van het Oude Testament worden zo beschouwd  dat het menselijke daarbij op de voorgrond wordt  geplaatst, terwijl bij de beschouwing van het Nieuwe Testament in eerste instantie het goddelijke word gezocht. Dat leidt tot een zeer verbreide miskenning van de Bijbel die zich daarin uit dat men zich afgestoten voelt door het 'onheilige' en 'al te menselijke' van het Oude Testament, terwijl men het Nieuw Testament als een bron van dogmatisering en als een document van de wonderen die door de vleesgeworden God volbracht zijn, beschouwt – als bewijzen van Zijn goddelijke macht. Maar anderzijds is het ook niet minder fout om bij het Nieuwe Testament alleen oog te hebben voor het menselijke; de “man van smarten uit Nazareth” is niet de ware gestalte van Jezus Christus. Om tot Zijn ware gestalte door te dringen, mag men niet bij het zuiver menselijke aan Hem stil blijven staan, maar moet men door het menselijke aan Hem tot het goddelijke erin doordringen.

                Zoals men bijvoorbeeld nooit dei gestalten van de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jacob zal begrijpen, indien men hen enkel als menselijke persoonlijkheden beschouwt die hun persoonlijk lotgevallen ondergaan zonder de drie basisimpulsen van de geestelijke Hiërarchieën erbij te betrekken, die het pas begrijpelijk maken waarom deze gestalten in de Heilige Schrift thuishoren, zo zal men ook omgekeerd de verzoeking van Jezus Christus nooit begrijpen, wanneer men alleen God in Jezus Christus wil zien. Dit is ook de reden waarom het Johannesevangelie, dat voornamelijk de in Jezus Christus verschijnende Godheid voor ogen heeft, niets over de grote gebeurtenis van de verzoeking in de woestijn te berichten heeft, en waarom het Markusevangelie het slechts kort noemt. Want indien men alleen over de Godheid, de Logos bericht wil geven, dan heeft men niets te zeggen over de verzoekingsscène: niet God wordt daarbij in verzoeking gebracht, maar de in het menselijke ondergedoken God. Het menselijke aan Hem was het aangrijpingspunt voor de verzoeking, niet het goddelijke.  Dus zwijgt de schrijver van het Logos-evangelie terecht over de verzoeking in de woestijn. Maar niet minder bij het juiste eind hebben het de schrijver van het “Evangelie van ziekte en genezing van al het menselijke”, het Lukasevangelie en de schrijver van het “Evangelie van erfzonde en verlossing van de mens”, het Mattheüsevangelie die deze verzoekingsscène wèl beschrijven. Want pas door de verzoekingsscène wordt het mogelijk om het goddelijk-menselijke drama dat zich in Palestina heeft afgespeeld als eenheid op te vatten. Niet alleen de verheerlijking en de opstanding horen bij het Mysterie van Golgotha, maar ook Gethsemane en de verzoeking in de woestijn. Alleen indien men beide kanten van de Godmens in oogschouw neemt, vat men het goddelijk-menselijke van het Nieuwe Testament als eenheid.

Na deze noodzakelijke opmerkingen over het onderscheid van het werk aan het Nieuwe Testament en het voorafgaande werk aan het Oude Testament kan tot de beschouwing van de dingen overgegaan worden, waarvan kennis en begrip noodzakelijk zijn om de gebeurtenis van de verzoeking in de woestijn te begrijpen.


2. De eenzaamheid van de woestijn

Als men de mens beschouwt, zoals hij is geplaatst te midden van mensheid en natuur, dan kan men zeggen – en dit geldt in nog sterkere mate voor de huidige mens – dat hij met zijn ziel, zijn leven en zijn liefde met deze gehele organisatie is verbonden. Talloze verbindingsdraden worden over en weer telkens gesponnen vanuit het denken naar mensen in het heden en het verleden; talloze draden van sympathie verbinden hem met de meest uiteenlopende wezens van deze wereld; zijn wensen en daden binden hem aan dingen en wezens van dichtbij en veraf. Familie, vriendenkring, folklore, het menselijke cultuurleven – het zijn allemaal dingen die de mens steunpunten bieden waar hij tegenaan kan leunen die zijn leven ook inhoud geven en hem verwanten verschaft. Zijn bewustzijn en nog meer zijn onderbewustzijn ontvangen voortdurend een toestroom van 'voeding': indrukken, gedachten, opmonteringen, verfrissingen, aansporingen, levensimpulsen, krachten. De mens zuigt en ademt inhouden, beelden en krachten vanuit de omgeving op; hij zoekt en vindt wat de vermoeiden verfrist, de rustelozen geruststelt, de zwakken aanspoort, de getergden kalmeert. Hij drinkt de kleuren van licht, hij drinkt geluiden en woorden, hij drinkt uit de grote, kleurige, klinkende en bewegende levensstroom – en hoe meer hij met volle teugen uit deze stroom drinkt, hoe gezonder hij is.

Zo is het gesteld met de mens wat betreft zijn verhouding tot de wereld van zijn omgeving en het is juist dat het zo is.

                Toch kan in het leven van de mens het eenmaal gebeuren dat alles anders wordt. Het kan gebeuren dat de mens uit deze algemene levensstroom afgezonderd wordt en er niet meer door wordt gevoed. Hij wordt eenzaam. Deze eenzaamheid ontstaat wanneer de mens de geestelijke wereld niet alleen door gedachten kent, ook niet door haar spiegelbeelden  in het etherische, maar door haar zelf innerlijk rechtstreeks wordt aangeraakt, doordrongen en vervuld– en uiteraard niet door de etherische wereld, die eigenlijk zelf de volheid van de levensstroom uitmaakt, maar door de geestelijke wereld, die zich tot de etherwereld verhoudt als de wind tot de golven.

                Wordt de mens door de geestelijke werkelijkheid eenmaal aangeraakt, vervolgens doordrongen en vervuld, dan vindt er een grote verandering in zijn gehele menselijk organisme plaats. Het gehele organisme van de mens – met name het bewustzijn dragend deel ervan – wordt van een ontvangend, opnemend organisme omgevormd tot een actieve, uitstralende organisatie. De kanalen waarlangs hij voorheen de toestroom vanuit de wereld ontving, worden òf de wegen waarlangs zijn eigen krachten in de wereld uitstromen, of ze verkommeren volledig. Op deze wijze wordt de mens eenzaam in de fysiek-etherische wereld,  steeds armer wordt de toestroom die hem deze wereld schenkt; steeds actiever en stralender wordt hij echter ten opzichte van deze wereld. Van een nemer transformeert hij zich – in zijn innerlijke organisatie – tot een gever. Hoe meer hij echter een schenker wordt in de horizontale richting van de levensstroom, hoe meer hij een ontvanger wordt in de verticale richting van de openbaringsstroom van de geestelijke wereld. In deze toestand geldt het tegenovergestelde van Leonardo da Vinci’s uitspraak: “De grote liefde is de dochter van de grote kennis.” Hier geldt het principe: “De grote kennis is de dochter van de grote liefde.” Want de mens kan slechts zoveel van de wereld kennen, naarmate hij wezens en processen met het binnenlicht van de liefde bestraalt, d.w.z. hen zichtbaar maakt door licht dat uit hem straalt, en alleen naarmate hij dat doet. Want alle andere lichtbronnen van de wereld doven voor hem uit. Zolang hij in zichzelf niet de kracht vindt om door leed heen tot liefde te komen, zolang blijft de wereld om hem heen duister en leeg – een oneindige woestijn, stom en koud.

Er leefde in de negentiende eeuw een man die voor aller ogen zichtbaar, in het middelpunt van het toneel van de Europese cultuurgeschiedenis, de tragiek van verwoesting en vereenzaming doormaakte zonder de mogelijkheid te hebben gevonden om zich over te geven aan die impulsen die de  woestijn, die deze ziel omgaf, in een bloeiend paradijs zou hebben kunnen veranderen. Deze mens droeg een onmetelijke rijkdom aan openbaringsmogelijkheden van de geestelijke wereld in zichzelf; zijn hele menselijke organisatie was rijp voor de geestelijke wereld; er was alleen een deemoedige opname van liefde vanuit de geestelijke wereld nodig, opdat een van de grootste ingewijden van de geest en een verkondiger van de geestelijke wereld had kunnen opgestaan; een grote ziener en verkondiger van de geest zou de wereld hebben kunnen verrijken, indien een deemoedige overgave aan de liefdesimpuls van de wereld de geestelijke oren en ogen van Friedrich Nietzsche had kunnen ontsluiten. Want Nietzsche kende de woestijn en trof de verzoeking van de woestijn, maar hij bezweek eronder.

Nietzsche’s eenzaamheid was niet enkel een kwestie van alleen-zijn in de wereld; het betrof een vereenzaming van zijn gehele zielsmatig-geestelijk organisme. Het is geen dichterlijke gril als Nietzsche  in zijn zeer ernst bedoeld gedicht “Vereenzaamd” schrijft (in “Gedichte und Proza” – “Mitleid hin und her. 1. Vereinsamt“ 1888):

“Die Krähen schrei’n und ziehen schwirren Flugs zur Stadt:

bald wird es schnei’n – wohl dem, der jetzt noch Heimat hat!

Nu stehst du starr, schaust rückwärts, ach’ wie lange schon!

Was bist du Narr vor Winters in die Welt entfloh’n?

Die Welt, ein Tor zu tausend Wüsten, stumm und kalt!

Wer das verlor, was du verlorst, macht nirgends halt – „

“De kraaien krassen en vliegen kriskras door de stad:

Spoedig zal het sneeuwen – goed voor hem die nu nog een thuis heeft!

Jij staat daar bewegingsloos, je kijkt terug, ach! Hoe lang al!

Wat ben je toch een dwaas, om vlak voor de winter de wereld in te vluchten?

De wereld, - een poort naar duizend woestenijen, stom en koud!

Wie verliest wat jij verloor, vindt nergens houvast – “

Het is waarachtig bittere ernst.

Nietzsche beleeft echter niet alleen de verwoesting, maar kent deze ook tot op zekere hoogte wat betreft de oorzaken hiervan. Zo zegt hij in het “Nachtlied” uit “Aldus sprak Zarathoestra”:

“….Aber dies ist meine Einsamkeit, dass ich von Licht umgürtet bin. Aber ich lebe im einem eigenen Lichte, ich trinke die Flammen in mich zurück, die aus mir brechen.

Viele Sonnen kreisen im öden Raume: zu allem, was dunkel ist, reden sie mit ihrem Lichte, - mir schweigen sie…“

(„….Maar dit is mijn eenzaamheid, dat ik met licht omgord ben. Maar ik leef in een eigen licht, ik drink de vlammen die uit mijzelf openbreken, zelf weer op.

Vele zonnen draaien in een lege ruimte: tot alles wat donker is spreken zij met hun licht, - voor mij zwijgen zij…”)

Wat Nietzsche hier in dichterlijke taal aanduidt berust op de werkelijkheid dat bij hem zijn astral en etherische lichaam als het ware omgestulpt waren. Om deze omstulping concreet te begrijpen, moge men zich voorstellen hoe het oog georganiseerd is. Het oog neemt de indrukken van buiten op en is daarmee een ingangspoort voor de buitenwereld. Nu stelt men zich voor dat het oog ongeschikt is geworden om lichtindrukken van buiten te ontvangen en dat het in plaats daarvan alleen maar datgene kan waarnemen wat het zelf vanuit het menselijke innerlijk heeft bestraald. Dan zou het oog niet meer een ingangspoort voor de buitenwereld naar de binnenwereld zijn, maar een ingangspoort voor het menselijke innerlijk naar de buitenwereld.

                Wanneer men zich een dergelijke omkering van die werkzaamheid voor alle andere zintuigen voorstelt, dan kan men een begrijp ervoor krijgen wat een omstulping van het astrale en etherische organisatie concreet betekent. Het betekent niet minder dan een verduistering van de buitenwereld en een stagnatie van alle indrukken van buiten. De mens is dan òf gehuld in duisternis en eenzaamheid, òf hij straalt zelf licht uit in de hem omgevende duisternis. Het is geen spel met woorden, wanneer men zegt: het waarnemen wordt voor hem door waargeven vervangen. Maar voordat echter deze grote omvorming gebeurt, wordt de mens “door de geest in de woestijn geleid” en staat hij voor de verzoekingen van de woestijn.

                Deze verzoekingen van de woestijn treden op als gevolg van de beproevingen van de eenzaamheid. Het wezenlijke daarvan is het vanuit de innerlijke leegte ontstane brandend verlangen naar opvulling. De mens 'hongert' naar levensvolheid. Deze honger kan de mens aan de illusie doen blootstellen om de verlangde levensvolheid in machtsontplooiing te zien. Want de vereenzaamde, leeg geworden mens staat op de scheidslijn van twee mogelijkheden: òf zich als mens werkelijk als bedelaar te kennen en in deemoed zich aan de liefdesopenbaring van de bovenmenselijke geestelijke wereld over te geven, òf zich tot de krachten van het instinctleven te wenden om zich daarmee op te vullen.

                De inhoud van dit menselijke instinctleven is echter macht, de wil tot macht. Deze wil is diep in het instinctleven van de menselijke natuur verankerd; zoals het binnenste van het aardeorganisme is opgevuld door de krachten van de negen sferen van het binnenste van de Aarde, zo is het onderbewustzijn van de mens opgevuld door de wil tot macht. Dit is meer dan een vergelijking, want in deze gestalte rijzen de krachten van het binnenste van de Aarde op aan de mens. Deze krachten zijn voor de mens nu eenmaal een bron voor een andere volheid dan die van de geestelijke wereld. Zij bieden zich aan als een verzoeking in de woestijn aan de mens. Deze krachten boden zich ook aan Nietzsche; hij beaamde ze en werd een verkondiger van de wil tot macht, van de levensvolheid aan deze zijde van de machthebber die alles uitschakelt wat het instinct tegenspreekt – en van verkondiger van de aardse eeuwigheid!

                Toen werd Nietzsche op een hoge berg geleid en daar werden hem alle rijken van de wereld in één oogopslag getoond. Nietzsche schrijft zelf over dit moment:

                “Ik vertel u het verhaal nu van Zarathoestra. Het basisconcept van het werk, van de Eeuwige-wederkomst-gedachte, is de hoogste vorm van instemming  die überhaupt kan worden bereikt - vernomen in augustus van het jaar 1881. Het is op een blad papier geschreven met als titel: ‘6000 voet voorbij mens en tijd.’  Ik ging die dag door de bossen naar het Meer van Silvaplana;  bij een machtig, piramidaal opgeworpen rots dichtbij Surlei hield ik halt. En daar kwam deze gedachte in mij op.” (Ecce Homo)

                Welke gedachte? De gedachte dat iedere situatie op aarde zich altijd weer herhaalt, d.w.z. dat alles terugkomt doordat het zich opgelost, om na verloop van tijd – vanuit  dezelfde bestanddelen gecombineerd – opnieuw te verschijnen. De tijd verdwijnt  daarbij als lijn en al het gebeuren wordt een in zichzelf gesloten cirkel; overziet men deze cirkel dan schouwt men  “alle rijken van de wereld in één oogopslag” (“en stigme chronou” Luk. 4:5), zoals de verzoeker dit laat zien.

                Is deze gedachte een realiteit? Het is een illusie wanneer men hem vanuit de geestelijke wereld bekijkt; het is een realiteit, wanneer men hem als een inspiratie van de tegenmachten in de strijd tegen de kosmische evolutie herkent. Want het is de opzet van de tegenmachten, dat de Aarde geen toekomst dient te hebben en dat in de plaats daarvan alles wat op Aarde gebeurt in een kring blijft draaien; vanuit het aardoppervlak naar het binnenste van de Aarde en van daaruit weer naar de oppervlakte. Deze opzet is echter geen blote abstractie, maar onderwerp van voortdurende pogingen van de tegenmachten in het verloop van de aardse geschiedenis.

                Deze pogingen zijn niet geheel zonder resultaat gebleven; er spookt daadwerkelijk veel vanuit het verleden in het heden. Maar altijd wanneer men iets vanuit het verleden opnieuw ziet opleven  zijn het spoken die vanuit het binnenste van de Aarde opstijgen. Zo was bv. de Mithras-cultus te zijner tijd  wel degelijk iets positiefs, de vooruitgang bevorderend; zou men deze cultus opnieuw leven willen inblazen, dan zou men haar vanuit het binnenste van de Aarde, waarin haar geest verlaten vormen zijn weggezonken, als een spookverschijning moeten bezweren. En andere machten dan diegene die er ooit in gewerkt hebben zouden daarin werkzaam zijn. –

Nadat Nietzsche “6000 voet voorbij mens en tijd” alle Rijken dezer wereld “in één oogopslag” zag, d.w.z. het idee van de eeuwige wederkeer concipieerde, 'aanbad' hij die macht  die de wereld op deze wijze liet zien in al haar heerlijkheid: hij gaf zich over aan die inspiratiebron, waaruit het oogmerk van de 'eeuwige wederkeer' ontsprong. Daarbij ervoer hij een volheid waar hij naar verlangde:  

“Heeft iemand, eind negentiende eeuw, een duidelijker begrip van wat de dichters in de sterke tijdperken inspiratie noemden?  Zo niet, dan wil ik het beschrijven. – Met het kleinste restje bijgeloof op zak zou men inderdaad de voorstelling nauwelijks kunnen afwijzen slechts incarnatie, slechts mondstuk, slechts medium van superieure machten te zijn. Het begrip openbaring in die zin dat met ontzaglijke zekerheid en precisie plotseling iets zichtbaar, hoorbaar wordt, iets dat iemand tot in het diepst raakt of omverwerpt, beschrijft simpelweg de feitelijke toestand. Men hoort, men zoekt niet; men neemt, men vraagt niet, wie daar geeft; als een flits licht een gedachte op, met noodzakelijkheid in een bepaalde vorm, zonder enige aarzeling – een eigen keuze heb ik nooit gehad.” (Ecce Homo)

                En waarheen wordt Nietzsche door deze 'superieure machten' geleid?

                “…Het begrip ‘God’, uitgevonden als een antipode van het leven – daarin alles wat schadelijk, vergiftigend, belasterend is, de hele dodelijke vijandschap tegen het leven in één ontzettende eenheid gebracht! Het begrip ‘aan gene zijde’, ‘ware wereld’ uitgevonden om de enige wereld die er is van zijn waarde te beroven – om geen enkel doel, geen verstand, geen opgave voor onze aardse realiteit over te houden? Het begrip ‘ziel’, ‘geest’ en tenslotte ook nog ‘onsterfelijke ziel’ uitgevonden, om het lichaam te verachten, om het ziek – ‘heilig’ – te maken, om alle dingen die in het leven serieuze aandacht verdienen: de kwesties van voeding, huisvesting, geestelijke dieet, ziekenbehandeling, hygiëne, het weer, met een afschuwelijke lichtzinnigheid te behandelen!” (Ecce Homo) – in deze woorden spreekt Nietzsche de situatie uit, waarin hij werd geleid.

Beschouwt men de hele tragiek van deze situatie, vergelijkt men de jonge Nietzsche die het hoogste goed van de mensheid verwoordt:

“O Stätten heiligster Vergangenheit!

Gethsemane und Golgatha! Ihr tönet

Die frohste Botschaft durch die Ewigkeit,

Ihr kündet, dass der Mensch mit Gott versöhnet,

Versöhnet durch das Herz, das hier gerungen,

das dort verblutet und den Tod bezwungen!“ [*]

“O steden van allerheiligst verleden!

Gethsemane en Golgotha! Van U klinkt

De blijdste boodschap door de eeuwigheid;

U verkondigt dat de mens met God is verzoend.

Verzoend door het hart dat hier gestreden,

Dat daar bloedt en de dood heeft bedwongen.”

met de Nietzsche die de “kwesties van voeding, huisvesting, geestelijke dieet, ziekenbehandeling, hygiëne en het weer” als de belangrijkste levensvragen aanwijst, dan kan er geen sprake meer zijn van een verandering van gezindheid of iets dergelijks, maar van een tragische val. Van “de tinne van de tempel” (Luk. 4), waar Nietzsche eerst op stond en van waaruit hij oorspronkelijk vervuld met een hoogstaand idealisme de mensheid en haar geschiedenis overzag, stortte Nietzsche in die diepten van het instinctleven, waar God, geest en ziel als listige uitvindingen gelden.   

                Een onzichtbare en liefdevolle hand maakte hier een einde aan. Op een van de eerste dagen in januari 1889 zakte hij op de straat in Turijn in elkaar. Hij schreef van waan getuigende briefjes aan zijn vrienden, waarin hij zich als 'Dionysus' en 'de Gekruisigde' aanduidde. Daarna werd hij in Jena in de psychiatrische kliniek van de universiteit ondergebracht.

_____________________

[*] Uit “Gedichte und Sprüche”- “Gethsemane  und Golgotha“, 1864, 7de stanza)


3. De verzoeking van de mensheid

Het tragische lot van Nietzsche leent er zich goed voor om de gewaarwordingen en voorstellingen voor het begrip van de gebeurtenissen van de verzoeking van Jezus Christus in de woestijn voor te bereiden. Om deze gebeurtenis zelf te begrijpen, voldoet het uiteraard niet. Daar moet de situatie tegen een veel grotere achtergrond en met een schier hemeltergende ernst worden beschouwd. Want hierbij gaat het om vraagstukken aan te snijden en feiten onder ogen te zien die nog veel meer kunnen schokken  dan het schokkende lot van Nietzsche.

                Bij de verzoeking in de woestijn lag immers het gehele lot van de mensheid in de weegschaal: men gelove niet dat de verzoekende machten destijds totaal geen uitzicht op succes hadden gehad. Deze uitzichten voor hen zijn er altijd, wanneer het bewustzijn – al zij het ook van de hoogste wezen – gescheiden is van de geestelijke wereld.

                Want de toestand van Jezus Christus in de woestijn was die van eenzaamheid, d.w.z. de geestelijke wereld was op dat moment voor Hem niet aanwezig. Pas na de verzoekingen verschenen de engelen en 'dienden Hem', wat zoveel betekent dat ze voor en tijdens de verzoekingen daar niet waren. Hij overwon en wees de verzoekingen van de hand, niet uit en door de aanwezigheid van de geestelijke wereld, maar door de menselijke krachten van het dagbewustzijn. “Er staat geschreven…” zijn de woorden waarmee Hij de verzoeker antwoordde. Het was dus een moment waarin het voorhangsel de geestelijke wereld verborg; alleen datgene wat geschreven stond, d.w.z. wat vanuit de waarheid van de geestelijke wereld tot in de minerale  bestaanssfeer naar beneden was gebracht, stond hem als verdedigingswapen ter beschikking.

                En zo moest het ook zijn, want de overwinning op en de afwijzing van de verzoekingen moest vanuit dezelfde mate van vrijheid plaatsvinden die de mensheid eigen is. In het uur van deze verzoeking in de woestijn was Jezus Christus de representant van de menselijke vrijheid, die niet vanuit de geestelijke wereld maar vanuit Zichzelf de beslissing te nemen had. De geestelijke wereld zweeg tijdens de verzoeking; niet haar ingevingen waren het waardoor de verzoeking werd weerstaan, maar de beslissing van een goddelijke reine gezindheid op grond van het gegevenheid van puur menselijke bezinning: het denkende onderscheidingsvermogen. En nadat de hoogste gezindheid in verbinding met menselijke bezonnenheid haar besluit had genomen, kwamen de engelen en “dienden Hem”, d.w.z. de geestelijke wereld van de Hiërarchieën opende zich.

De gebeurtenis van de verzoeking in de woestijn – tot aan het ogenblik van het verkeer met de hiërarchieën – omvat de zin en behelst het menselijke positieve karma van het Kali-Yuga, het 'donkere tijdperk". Wat is – vanuit het standpunt van het waarachtige – het 'donkere tijdperk"? Het is de verzoeking in de woestijn van de gehele mensheid. 'Donker' is dit tijdperk, opdat de beslissingen ten overstaan van de verzoekingen vanuit menselijke vrijheid te nemen zijn. Voor de ervaring van de mens moest de geestelijke wereld zich verduisteren, opdat de mens niet daaruit maar vanuit zichzelf beslissingen neemt. En de verzoekingen die de mensheid heeft te overwinnen zijn dezelfde drie verzoekingen in de woestijn, waarvan Christus er twee voorbeeldig overwonnen en een heeft afgewezen (zie deel 4 in dit hoofdstuk).

De wereldgeschiedenis is vanaf die tijd in wezen de geschiedenis van het stapsgewijs doorlopen van de mensheid door de drie verzoekingen in de woestijn. Al naar gelang de beslissingen die bij deze verzoeking worden gemaakt, zal ook de scheiding van de mensheid tijdens de zesde cultuurperiode in twee verschillende karmische gemeenschappen plaatsvinden die dan later tot twee rassen worden.  Voor dat deel van de mensheid dat de juiste beslissingen zal hebben gemaakt – en er zullen de mensen vele gelegenheden aangeboden worden om beslissingen te treffen – zal de mogelijkheid voor het bewuste verkeer met de geestelijke hiërarchieën worden geopend; deze mensen zullen dan niet meer genoodzaakt zijn om de richtingen te kiezen, want dan hebben zij die al gekozen.

Begrijpt men de wereldgeschiedenis als voorbereiding, beslissing en gevolg van de 'verzoekingen in de woestijn', dan begrijpt men ook het feit waarom er in deze tijd zo weinig echte geestelijke ervaring is. Waarom zijn er – ook in geestelijke bewegingen – zo weinig mensen die werkelijk bovenzinnelijke ervaringen hebben? Omdat de mensen thans nog geen definitief besluit hebben genomen of zij willen dienen of heersen, teren op de rijkdom van het verleden of bedelarm de toekomst tegemoet gaan, wonderen of kennis willen. Een tot op het moment dat zij nog niet definitief hebben gekozen voor 'dienstbaarheid' en 'armoede' en 'kenniskuisheid'  blijven zij – mits zij niet hebben gekozen voor macht en rijkdom en 'wonder-autoriteit' – aangewezen op datgene wat 'geschreven staat.' Uiteraard staat er vandaag de dag veel geschreven, veel meer dan in de 19de eeuw, omdat nu eenmaal de tijd is aangebroken dat beslissingen dringend genomen zouden moeten worden, ze niet meer uit te stellen zijn.

Beschouwt men met volle morele waakzaamheid de totale situatie waarin het moderne geestelijke leven van de mensheid verkeert, dan kan men tot de overtuiging komen: het is waar dat de mensheid aan de verzoekingen van de woestijn, die in de meest uiteenlopende verschijningsvormen optreden, is blootgesteld.

                Zo kan men bijvoorbeeld tegenwoordig op vrijwel alle gebieden, zowel op die van de praktijk alsook op die van de wetenschap, ervaren, dat er een duidelijke tendens heerst om overal het kwalitatieve, kenmerkende door het kwantitatieve, getalsmatige te vervangen. Ja, deze tendens is al zover gevorderd, dat men ervan uitgaat, dat een fenomeen als 'gekend' wordt beschouwt, als men het in het getalsmatige heeft vertaald. Men gelooft bijvoorbeeld dat het verschijnsel licht mag worden gerekend tot de dingen die gekend zijn, indien men de lichtsnelheid in kilometers per seconde en het aantal en de lengtes van de lichtgolven in een formule heeft gebracht. Men gaat in de regel zodanig te werk, dat men – in plaats van door verdieping in het lichtverschijnsel op zijn lichtwezenheid in te gaan –zich afwendt van het verschijnsel zelf en vervolgens een werk  verricht dat resulteert in een reeks getallen. Is men dan in staat dat men in zijn voorstelling het verschijnsel kan vervangen door getallen, dan heeft men het 'kenproces' volbracht.

                Wat heeft men in werkelijkheid eigenlijk gedaan, doordat men aan de getallen, aan het kwantitatieve de realiteit van de kenmerken, het kwalitatieve toegeschreven heeft?  Men heeft stenen in brood veranderd! Want doordat men aan het dode, aan het kwantitatieve de kenmerken toeschrijft die behoren bij het levende, het kwalitatieve, dan verricht men op het gebied van kennisverwerving hetzelfde als wanneer men stenen in brood verandert.

                Heden ten dage wordt echter niet allen op het gebied van de wetenschap het veranderen van stenen in brood beoefend; ook in het praktisch-sociale leven van de mensheid gebeurt het.

Elk mens is eigenlijk in staat om een stuk metaal of een stuk papier in een kamer vol brood te veranderen! Want geld is – afgezien van zijn 'magische' kracht, de koopkracht – wel degelijk van minerale substantie, het is 'steen'; maar het kan altijd in brood veranderd worden. Het geld is niet meer waard dan het getal dat eraan is toegekend; het brood echter dat in zich de eigenschappen van voeding, van levensonderhoud draagt, wordt door de macht van het getal beheerst.

Deze gang van zaken blijft echter niet beperkt tot het alledaagse. Het reikt verder en brengt grote sociaal-maatschappelijke wereldbeeldbewegingen in de mensheid op gang. Zo is de mensheid heden ten dage verdeeld in twee vijandelijke kampen doordat een deel van de mensheid zich tot de 'kapitalistische' ordening en de andere zich echter tot de 'antikapitalistische' ordening van het staats- en maatschappelijke leven bekent. Deze twee groepen bestrijden elkaar op het scherp van de snede, maar in werkelijkheid dienen zij niettemin één heer en meester: het kapitaal. Want of men het kapitaal nu zo gebruikt dat het door de ene groep ('klas') mensen wordt beheerd, dan wel door een andere groep mensen, of dat het zelfs aan de algemeenheid wordt uitgedeeld – men blijft daarbij toch binnen het raamwerk van de onpersoonlijke macht van het kapitaal, men treedt op geen enkel punt buiten diens bereik op het gebied van het invloed ervan op het leven of de gezindheid. Of men nu 'pro' of 'anti' kapitalisme is, de gezindheid blijft in beide gevallen gelijk. Die blijft gebukt onder de suggestieve macht van het kapitaal.

                Dat aan het kapitaal een dergelijke invloed op de gezindheid werd toegeschreven– dat is heden het tragische aspect van het kapitaal; dat is het eigenlijke probleem dat in eerste instantie opgelost zou moeten worden. Want het was in verhouding nog slechst korte tijd geleden anders. Zo was bv. in de zestiende eeuw de Europese mensheid diep door religieuze vraagstukken bewogen. Destijds was Europa in twee kampen gescheiden die met uiterste inzet van kracht en middelen voor religieuze opvattingen vochten. Men kan nu zeggen dat de stootkracht, het fanatisme en de offervaardigheid die toentertijd werden ingezet voor de verdediging en bestrijding van religieuze opvattingen, vandaag de dag worden ingezet voor de verdediging en bestrijding van deze of gene  wijze van het gebruik en de verdeling van het kapitaal. Ook al waren de godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw twijfeloos barbaars: de tegenwoordige strijd om het kapitaal is niet minder barbaars; aan Bartholomeüsnachten is er tegenwoordig, bij voorbeeld in Rusland bijvoorbeeld, echt geen gebrek.

                Aldus staat de mensheid niet alleen op het gebied de wetenschap maar ook in de gestalte van het kapitaal voor de verzoeking van de woestijn, toe te geven aan de impuls om stenen in brood te veranderen. De macht van deze verzoeking is enorm groot; men zou bijna kunnen zeggen dat de hedendaagse geschiedenis in het teken daarvan staat.

Nu is er momenteel ook een sterke stroming gericht tegen abstractie en kapitaal. De roep wordt steeds sterker dat men naar het leven terug zou moeten keren. Men zoekt het leven in kennis, men zoekt het ook op andere gebieden. Daarbij wendt men zich tot de 'bronnen van het leven' die men in het instinctleven van het onderbewustzijn meent aan te treffen. Zo ziet bv. een extreme richting van de psychoanalyse van Freud in de verschijningen van het bovenbewustzijn niet veel meer dan golfachtige rimpelbewegingen aan het oppervlak van het onderbewuste driftleven; hier dienen de oorzaken en de werkzame krachten te worden gezocht; het denken en de besluiten van het heldere dagbewustzijn zouden slechts machteloze verschijnselen aan de oppervlakte zijn. In het Westen – in Amerika – maakt zich een vergelijkbare stroming, vertegenwoordigd door prof. Leuba, de tegenstander van prof. James ook in de godsdienstpsychologie breed. Leuba [1]verklaart de bewustzijnstoestanden van de mystici doordat hij ze terugbrengt tot verschijningsvormen van erotiek en verscheidene roeswerkingen van narcotica – zonder daarbij het belang van de mystiek voor de waarde voor het leven te ontkennen!

      Het opmerkelijkste in dit opzicht is een godsdienstfilosofische richting, die momenteel met name in kringen van Russische emigranten van het Griekse-katholieke geloof verspreiding vindt. Hun vertegenwoordiger, prof. Wyscheslavzev, (die echter met een reeks andere professoren, o.a. met Bulgakov en Berdjaeff [2] samenwerkt), draagt een praktische en theoretische godsdienstfilosofie uit, die uit een organische verbinding van duistere wetenschap met duistere religie bestaat. Wyscheslavzev heeft een verbinding gemaakt tussen de psychoanalyse van Freud en religieuze dogmatiek zonder kennis van zaken. Daarbij meent hij een brug te hebben geslaan tussen religie en wetenschap: immers, zowel religie als wetenschap wijzen uiteindelijk immers naar één gemeenschappelijke bron:  het onderbewuste instinctieve leven!

                Weer anderen zoeken de 'bronnen van het leven' die tegelijk de bronnen van alle culturele inspiraties zouden zijn, in het 'rassen-" of in het 'volksinstinct' en geloven op deze weg de enig werkzame werkelijkheid gevonden te hebben.

                En er zijn nog andere symptomen van die richting van de menselijke aspiraties die in het instinctleven de bron van de ware drijvende en scheppende kracht van de mensheid zoekt; hier gaat het niet om een grondig overzicht van deze strevingen, maar om her feit dat er tegenwoordig een sterke, veelvormige tendens bestaat om vanuit het bewustzijn in het onderbewustzijn te storten. Deze tendens is in echter in wezen niets anders dan een beaaming aan de verzoeking in de woestijn om “van de tinne van de tempel in de diepte te storten”. Want deze “tinne van het heiligdom” van de moderne mensheid is het vrije gedachteleven; daar kan de mens zich tot een overzicht verheffen en in de vrijheid van de bewustzijnshelderheid een besluit nemen over de weg, die hij met het oog op de waarachtige voortgang moet inslaan. De diepte echter, waarin hij verzocht wordt zich te storten, is het  bewustzijnsvertroebelende driftleven van de instincten, waarvan echter de mens in de verleiding komt wonderen te verwachten, wanneer hij zich in vertrouwen daaraan overgeeft. Wantrouwen jegens het vrije gedachteleven en vertrouwen op het instinctleven – dit is de verzoeking die tegenwoordig de mensheid in veelvuldige vermomming tegemoet komt. Want de huidige mensheid is grotendeels mentaal moewonderen van de menselijke natuur, uitbarstingen van grote krachten uit onbekende diepten van het onderbewustzijn zou zij graag zien, in plaats van het moeizame begripsmatige worstelen in zelfstandige eenzaamheid. Eigenlijk is er heden ten dage een sterke hang naar het wonderleven; want de hoop op grote dingen vanuit het onbekende – en de diepten van het onderbewustzijn zijn immers duister – is in feite niets anders dan een vorm van geloof in wonderen.

Beide tendensen – de tendens om aan het dode eigenschappen van het levende toe te kennen, en de tendens om vanuit het bewuste in het onderbewustzijn te storten – hebben een gemeenschappelijke wortel in een derde tendens, die voor deze tijd al minstens even karakteristiek is als de twee andereĺp. Ging het in het eerste geval om de neiging zich de ruimte geestloos voor te stellen, doordat het kwantitatieve op de plaats van het kwalitatieve werd gezet, en in het tweede geval om de neiging de causaliteit om te keren door de oorzaken van het menselijk handelen te zoeken in het onderbewuste in plaats van in het geestelijke, gaat het bij de derde tendens om een toekomstloze, geestloze ordening van de tijd.

                Het materialisme is niet slechts een restaat van gedachtenwerk, de l9ogica, maar veeleer een verschijnsel, waarvan men terecht kan zeggen dat “de wens de vader van de gedachten is.” Want het materialisme is de uitdrukking van een psychische neiging, een hang om de wereld te zien zonder richtinggevende en richtende moreel-geestelijke leiding. Niet omdat het logisch is om bv. het menselijk bewustzijn te verklaren vanuit combinaties van blinde en bewusteloze deeltjes van de materie, is men materialist, maar men is materialist, omdat men karma als werkelijkheid en mogelijkheid niet wil erkennen. Men wil geen karma in de wereld, omdat men in de onderbewuste zielendiepten vrees voor karma heeft. Men vreest het oordeel en men verloochent de morele wereldordening en verloochent de toekomst in de zin van deze morele wereldordening, omdat de toekomstl vergelding voor het verleden met zich meebrengt.

Wil men een wereldbeschouwing construeren die met de wens overeenstemt om vrij van morele verantwoordelijkheid te zijn, dan creëert men zich in de tegenwoordige tijd de materialistische wereldbeschouwing. Alleen zijn de opvattingen van het tegenwoordige materialisme nog niet helemaal doordacht;  ze staan halverwege in hun ontwikkeling. Want als men ze in dezelfde richting tot aan hun laatste consequentie verder ontwikkelt, dan zal men er niet omheen komen om een achter de materie heersende intelligentie te erkennen, die weliswaar amoreel is, maar met consequente doelmatigheid begaafd is.

                Men zal toch het voorhanden-zijn van deze intelligentie merken en moeten erkennen; ooit zal men Ahriman ontdekken – men zal op Ahriman stuiten! Daarbij maakt het niet uit, hoe men deze intelligentie zal benoemen – een nieuw soort elektriciteit, die naast de bekende elektriciteit in het aardorganisme overal werkzaam is, dan wel een intelligentiepotentiaal van de aardeplaneet – men zal bij de verdere ontwikkeling van het materialisme de 'vorst van deze wereld' als realiteit moeten erkennen en deze als vorst moeten erkennen![3] Met andere woorden:  het vervolgen van de materialistische gezindheid leidt tot een “aanbidden van de vorst van deze wereld “(Luk. 4:7), zoals het in de verzoekingsscène in de Evangeliën is bedoeld.

Aan de hand van de weg van het lot van Nietzsche zou een individueel voorbeeld opgetekend kunnen worden van wat aan het “aanbidden van de vorst van deze wereld” voorafgaat. Het aanschouwen van “alle rijken van de wereld in een ogenblik” is de voorbereiding die tot dit “aanbidden” leidt. Dat bestaat daarin dat het bewustzijn van de mens, die zich b.v. de wereld als een optelsom van atombewegingen – of ook elektronenbewegingen – voorstelt, en daarbij tot een soort 'mystieke' inspiratie kommen kan:.  de tijd bestaat niet! Er is geen toekomst! Ieder ogenblik herhaalt zich, wanneer het getal van alle mogelijke combinaties van zijn bestanddelen is bereikt…Ieder ogenblik is daarom een eeuwig bezit….Alle rijken van de wereld zijn er altijd – ze bewegen zich in de “Ring der ringen, in de ring van de wederkeer!”

Men kan in zekere zin spreken over drie stadia van de weg die de materialistische gezindheid heeft ingeslagen. Als het eerste stadium van deze weg kan men het atomisme aanschouwen, d.w.z. het schakelen van het bewustzijn met atomen, elektronen etc. hetwelk  overeenkomt met het imaginatieve stadium van de op de geest gerichte weg. Dit stadium zou men als de hallucinatiefase kunnen aanduiden.

                Het daaropvolgende stadium komt overeen met de inspiratie van de geestelijke kennisweg. Daar wordt het anti-oerbeeld, het vertekende spiegelbeeld van “Zarathoestra’s wereldjaar”, van het kosmisch ritme opgevat. Men zou dit stadium ook als waanfase kunnen aanduiden, dat na de hallucinatie-fase komt.

                Het derde stadium van deze weg is de “aanbidding van de vorst van de wereld,” overeenstemmend met de intuïtieve fase van het geestelijke kenvermogen. Men zou het op de juiste manier aanduiden als de bezetenheidsfase. Want in deze fase wordt de mens het werktuig van Ahriman, ook al heeft hij aanvankelijk Lucifer gevolgd. Lucifer verleidt, maar overheerst niet; het is Ahriman die zich het bewustzijn van de mens bemachtigd.

                Zo voert de weg die door het materialisme wordt aangewezen en die in het Evangelie wordt aangeduid als de “zonde tegen de heilige geest” door hallucinaties tot waan en van waan tot bezetenheid.

                De materialistische wereldbeschouwing zelf levert een formule die wel geschikt is om alles hetgeen over de drie verzoekingen is uiteengezet in drie woorden van de moderne taal samen te vatten, in woorden die de eigenlijk de drie-eenheid van het materialisme tot uitdrukking brengen, namelijk; kracht, toeval en stof. Dat zijn de basisvoorstellingen van het materialisme. Verdiept men zich in deze voorstellingen tot aan hun morele implicaties, dan ontdekt men dat 'kracht"niets anders betekent dan karmaloze, toekomstloze tijd, zoals die verschijnt door de verzoeking om de vorst van deze wereld te aanbidden ter wille van de rijken van de wereld. 'Toeval' heeft als begrip geen andere inhoud dan de val van het bewustzijn in het onderbewuste, de afschaffing van de werkelijke causaliteit ten gunste van een duister en niet te overzien heersen van het onderbewuste. 'Stof' is het woord voor de kwaliteitsloze, geestloze ruimte die door de verzoeking om stenen in brood te veranderen als levensgrondslag verschijnt. Deze drie begrippen, die duiden op datgene wat in de verzoekingen in de woestijn leeft, vormen uiteindelijk de  moderne anti-formule tegenover de christelijke geloofsbekentenis, waarin het geloof aan God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest tot uitdrukking wordt gebracht. Want een 'stofgelovige' te zijn, betekent tegelijk een Vader-verloochenaar te zijn. Het zich bekennen tot 'kracht'en 'tooeval' betekent de verloochening van de Geest en de Zoon. De blinde kracht is het tegendeel van geesteslicht; het blinde toeval is het tegendeel van de Logos, de Zoon en de geestloze stof is het tegendeel van de scheppende oergrond van deze wereld, de Vaderwezenheid.

Nu kan men begrijpen waarop de drie verzoekingen, waaraan de mensheid is blootgesteld, doelen: ze zijn erop uit om de slaap van het morele bewustzijn door geestloze tijd ('kracht'), de onmacht van dit bewustzijn door de val in het causaliteitsloze ('toeval') en de dood ervan door de mechanisering van het leven ('stof') te bewerkstelligen.

                Het bestrijden van deze gevaren was de taak van het witte occultisme door de eeuwen heen; de stroming van de Rozenkruisers vatte haar gehele kennis alsook haar gehele opgave in drie zinnen samen. Deze drie zinnen heeft Rudolf Steiner bij de Kerstbijeenkomst in 1923 in vernieuwde vorm als de geestelijke grondsteen in de harten van de antroposofen gelegd. Die drie centrale zinnen van de door Rudolf Steiner destijds aan alle antroposofen gegeven meditatie luiden:

Aus dem Göttlichen weset die Menschheit.

In Christus wird Leben der Tod.

In des Geistes Weltgedanken erwachet die Seele.

Uit het Goddelijke wordt de mensheid wezend.

In Christus wordt de dood leven.

In de wereldgedachten van de Geest ontwaakt de ziel.

In deze drie zinnen is alles vervat wat het menselijke bewustzijn nodig heeft om de drie verzoekingen weerstand te bieden en voor de gevaren van slaap, onmacht en de dood beschermd te zijn.

______________________

[1] James H. Leuba (1867- 1946) was een atheïstische psycholoog aan de faciliteit van de Amerikaanse Bryn Mahwr Universiteit en auteur van The Psychology of Religious Mysticism (1929). William James (1842-1910) leerde psychologie en filosofie aan de Harvard Universiteit. Auteur van boeken, o.m. The Principle of Psychology (1890), Pragmatism: A New Name for Some Old Ways of Thinking (1907), en Some problems of Philosophy (1910).

[2] B. P. Wyscheslavzev (gest. 1954) was professor voor morele theologie aan Sint Sergius en aan de Moskou Universitieit. Zijn artikelen zijn te vinden in Kirche, Staat und Mensch, Russisch-orthodoxe Studien und Dokumente (Geneve, 1937), samen met die van Berdayev, Bulgakov, Fedotov e.a.. Zie ook S. Bulgakov, The Holy Grail and the Eucharist (Lindisfarne, 1997) en N. Berdayev, The Russian Idea (Lindisfarne, 1992).

[3] Lucifer zaait, wat Ahriman maait. De mens wenst zich aan Lucifer over te geven, maar in werkelijkheid valt hij ten prooi aan Ahriman.


4. De verzoeking van Jezus Christus in de woestijn

Nu is de achtergrond voorhanden tegen welke de verzoekingsscène van Jezus Christus zelf beschouwd kan worden.

                Men stelle zich om te beginnen de situatie van de verzoekingsscène voor. Jezus Christus bevindt zich in de eenzaamheid, zowel in innerlijke als in uiterlijke zin. In deze eenzaamheid heeft Hem “de geest geleid”, d.w.z. doordat Jezus bij de doop in de Jordaan doordrongen werd door een geweldige geestelijke kracht begon er in Zijn menselijke organisatie een innerlijk omvormingsproces, hetwelk de eenzaamheid met zich meebrengt. Deze toestand van eenzaamheid uit zich namenlijk daarin dat alle opmerkzaamheid, alle bewustzijn binnen de menselijke organisatie zelf is geconcentreerd; het heeft in deze periode niets over voor de buitenwereld en het heeft ook geen krachten vrij voor de waarneming van de geestelijke wereld. In moderne bewoordingen zou men ook kunnen zeggen dat het bewustzijn van Jezus Christus 'subjectief’ was, d.w.z. het was ongedeeld bezig met de innerlijke processen van de menselijke natuur.

                In een vergelijkbare situatie bevinden zich de overledenen in de periode die direct na het schouwen van het levenstableau komt en de Kamaloka-toestand voorafgaat; dan beleven ze in de regel ongeveer tijdens veertig dagen een innerlijke omstulping van hun organisatie als gevolg waarvan de Kamaloka-toestand begint.

Nu is echter het bewustzijn van Jezus Christus zo helder als maar denkbaar. Het wordt door de werking die uitgaat van de omhullingen-wezenheid waarin het onderduikt, niet vertroebelt. Aldus gebeurde het dat datgene waarop het daar stuitte niet als onbepaalde neigingen en drijfveren beleefde, maar met de objectiviteit van een visionair schouwen. Tot visioenen vormde zich datgene wat normaal bij mensen in het onderbewustzijn werkzaam is. Aldus dook voor Zijn innerlijke blik een gestalte op die Hem alle rijken van de wereld van de hoogte in één ogenblik toonde. De gedachtestroom (geen woorden werden hier aan gevoerd maar gedachten) die bij dit visioen oplichten zou ongeveer als volgt gekarakteriseerd kunnen worden:

“Gij zijt een geestelijk wezen en zijt mens geworden. Zo draagt Gij alle krachten van de geestelijke wereld draagt in U en door de ledematen van deze menselijk wezenheid draagt Gij voortaan ook alle krachten en mogelijkheden van de lagere wereld in U. Gij zijt de samenvatting van alle rijken van de wereld; alle krachten van alle werelden zijn in U bij geco centreerd. Ontplooi ze: aanschouw de werelden die Gij in Uzelf bergt en hoe deze zijn, wanneer Gij deze vanuit Uzelf tot ontplooiing brengt. In deze werelden zult Gij niets vreemds, niets wat niet met Uw eigen wezen overeenstemt, schouwen. De werelden zullen Uw volle bezit zijn en Gij zult deze kunnen vormen naar Uw stoutste dromen. Ik echter zal deze werelden eeuwigheid verlenen en ze U  in eeuwig bezit schenken. Het leed zal vergaan, maar alle lust zal eeuwig worden, want alle lust wil zichzelf, en ik ben de Geest, die alle lust vereeuwigt, indien ik ze tot zichzelf terug leidt – in de gesloten kring van de wederkeer! Gij zult echter alle pracht en alle heerlijkheid van Uw wezenheid tot ontplooiing gebracht zien om U heen en alles zal uit U en voor U en Uzelf zijn, en Gij zult Uzelf genieten in alle eeuwigheid, wanneer U zult willen, wat ik wil en mijn wil als de Uwe erkent!”

                En Jezus Christus herkende Lucifer en overwon de verzoeking doordat Hij de geest van hoogmoed door zich te bekennen tot de wil van de Godheid van de wereld geen ruimte gaf.

Doordat echter Lucifer herkend werd in zijn weerstand tegen de wet, tegen dat “wat geschreven staat” werd een andere gestalte zichtbaar die onzichtbaar achter Lucifer stond, toen hij over de aanbidding van zichzelf sprak. Zo dook naast Lucifer een andere, tot dusver verborgen gestalte op. En de gedachten van beide wezens verbonden zich en werden tot een stroom van twijfel en een aansporing om deze door een moedige, overmoedige daad te overwinnen.

                “Als Gij Gods Zoon zijt, verwezenlijk dan de toestand van volledige eenheid met de wil van God, in plaats van te moeten kiezen vanuit Uw eenzaam bewustzijn, zoals Gij het doet. Verlaat het eenzame bewustzijn en stort in de volheid der wereldkrachten! De wil van God is immers overal en Gij zult deze evenzo aantreffen, daar waar Uw voeten zijn, als waar Gij deze boven meent te vinden. Want als Gij Gods Zoon zijt, dan mag U zich moedig in de bewustzijnsafgrond stoten: zelfs de laagste krachten van Uw wezen, Uw voeten, zullen op niets vreemds stoten en door niets worden afgestoten. Want de wil van de Vader is overal werkzaam en Zijn boden zullen in Uw voeten evenzo werkzaam kunnen worden, als Gij in de diepte duikt, zoals zij in de krachten van Uw hoofd werkzaam moeten zijn … “ Zo ongeveer waren de gedachten, waardoor de tweede verzoeking aan Jezus Christus verscheen.

                Maar Christus herkende ook de tweede gestalte die bij de eerste verzoeking als het ware als het onderbewustzijn van Lucifer werkzaam was en die nu naast Lucifer stond. Hij herkende daarin de wezenheid die samen met Lucifer ernaar streeft om alles in de wereld om te keren: het bovenste in het onderste en het onderste in het bovenste. Daarom luidde Zijn antwoord dat het niet de taak van het onderste is om over het goddelijke zekerheid te geven, maar van het goddelijke Zelf: “Gij zult God, uw Heer niet verzoeken.”

Nadat nu Lucifer was doorzien en ook de aard van het verbond tussen Lucifer en Ahriman, trad Ahriman alleen op en moest nu direct in zijn eigen taal spreken:

                “Zie het dode van de Aarde, de stenen – zij kunnen levendig worden als brood, wannee Gij zegt dat zij zoals brood mogen worden. En zij zullen als brood worden, omdat ik vanuit het binnenste van de Aarde uit alles wat dood is een kracht gelijk die van het leven kan verschaffen, als Gij maar wilt dat het dode levend moge worden.“

                En Christus herkende dat het het leven van het Tegenwoord van de wereld is waarover Ahriman sprak. Hij onderkende dat het een ander leven is dan datgene wat van de hemel komt door het Woord van de Godheid – het leven van het Tegenwoord van de wereld dat vanuit de sferen van het binnenste van de Aarde het levendige wil doden en het dode verlevendigen wil. Daarom wees Christus deze verzoeking af, doordat hij op het woord van God wees als de andere bron van het leven.

                Maar er bleef een niet doorzien, verborgen iets achter Ahriman bij deze verzoeking. Zoals achter de gestalte van Lucifer bij de eerste verzoeking Ahriman onzichtbaar aanwezig was, was achter de gestalte van Ahriman een mysterieuze gestalte verborgen, als het ware als het onderbewustzijn van Ahriman, een gestalte die niet werd ontmaskerd. Aldus was het ultieme doel, het kardinale punt van Ahrimans intentie in duisternis gehuld.

       Weliswaar wees Christus de verzoeking van de hand, maar er bleef iets ongekend element in de verzoeking. Daarom kon Christus alleen zeggen:  “Niet alleen van brood leeft de mensmaar ook van het woord van God.” Daarmee behield Ahriman echter een werk- en strijdveld voor de toekomst. En de gehele opgave van de mensheidsontwikkeling, tot in de Vulkaantoestand toe bestaat in de strijd om dit gebied dat een omstreden is gebleven.

De drie verzoekingen in de woestijn hadden geweldige gevolgen, zowel voor de missie van Jezus Christus Zelf alsook voor de gehele mensheid Deze gevolgen zullen het onderwerp van de volgende beschouwing zijn.