maandag 8 augustus 2022

VOORWOORD VAN DE SCHRIJVER


De Beschouwingen over het Nieuwe Testament  zijn een innerlijke voortzetting van de in de herfst van 1933 en in juni 1935 afgesloten Beschouwingen over het Oude Testament. Alleen daardoor is deze nieuwe uitgave gerechtvaardigd.  Want er zijn tegenwoordig, naast de voordrachtencycli van Rudolf Steiner waarin ook veel dieper op het Nieuwe Testament wordt ingegaan dan op het Oude Testament, eigenlijk al veel waardevolle pennenvruchten van de hand van onze antroposofische vrienden over het Nieuwe Testament. De werken van Lic. Emil Bock, Dr. Hermann Beck en Dr. Friedrich Rittelmeyer vormen samen een dermate waardevolle en veelomvattende bijdrage voor een dieper begrip van de Evangeliën dat de schrijver zich serieus moest afvragen of een nieuwe, omvangrijkere arbeid over de Evangeliën eigenlijk wel nodig is. 

             Desalniettemin werd dit werk door de lezers van de Beschouwingen over het Oude Testament gewenst. Deze wens is alleen te verklaren doordat de wijze waarop de Bijbelse thema’s in de voorafgaande beschouwingen werden behandeld, ook voor het Nieuwe Testament wordt verwacht. De hierin gevolgde werkwijze was dat waarheden en feiten van een concreet occultisme in de Bijbel gevonden c.q. hervonden dienden te worden, zodat deze hele arbeid niet alleen een commentaar op de Bijbel is, maar ook een bijdrage aan de verdieping en verbreding van de kennis van de samenhang tussen de aardse en geestelijke wereld in het verleden en het heden. Dit zal dan ook de opgave van deze beschouwingen zijn: ze dienen aan de hand van de Evangeliën bepaalde geestelijke samenhangen te behandelen, die dus niet alleen tot een begrip van de Evangeliën bijdragen, maar ook tot die van het menselijk lot in het heden en in de toekomst. Zoals het bij het werk aan het Oude Testament met name erom ging om aan de hand van het Oude Testament op bepaalde realiteiten van de geestelijke wereld, het karma en mysteriewezen te wijzen, zal het ook nu met name erom gaan om met behulp van de Evangeliën op geestelijke realiteiten te wijzen. In de vorige beschouwingen werd een poging gedaan een begrip te wekken voor de werkelijkheid van het eugenetisch occultisme; hier dient in die zin een stap verder te worden gedaan. De bronnen waaruit geput zal worden zijn die van de antroposofie van Rudolf Steiner en datgene wat de beoefening van de door Rudolf Steiner aangewezen kennisweg de schrijver dezes heeft opgeleverd.

                Evenals bij het vorige werk worden ook hier de basiswerken en voordrachtcycli  over de Evangeliën van Rudolf Steiner als bekend verondersteld: de weergave van datgene wat Rudolf Steiner heeft gegeven zal ook alleen daar gebeuren waar een korte samenvatting onvermijdelijk is. Anderzijds zou het voor de schrijver een groot genoegen zijn, wanneer kennis van de zeer waardevolle werken  van onze vrienden die de Christengemeenschap voorgaan voorhanden zou zijn. De schrijver zelf heeft daaraan veel waardevolle  aansporingen te danken die zijn zienswijze meermaals verdiept heeft. Ook ademt in deze werken een vrije geest die het tegendeel is van een bekrompen dogmatische geest. Daarom juicht de schrijver het toe, wanneer het werk waarmee nu wordt begonnen de lezer zou aansporen om zich te verdiepen in de uitgaven van de vriendenkring die de Christengemeenschap voorgaat.

                Met gevoelens van dankbaarheid voor dit door anderen verricht werk met diep respect voor het onderwerp van deze beschouwingen begint de schrijver nu aan de arbeid van de antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament.

Juni 1935                                                                                                                 
Valentin Tomberg

III. DE ZALIGSPREKINGEN VAN DE BERGREDE



1. Het basiskarakter van de verkondiging

van het Rijk door Christus Jezus

 

Uit de vorige beschouwing, waarin sprake was van de drie grote fasen van het werk van Christus Jezus: de verkondiging door het Woord, de openbaring door tekenen en wonderen en de verwerkelijking door de Passie in samenhang met de drie verzoekingen in de woestijn, zal men kunnen inzien dat de verkondiging van het Rijk, die door de overwinning van de eerste verzoeking mogelijk werd, hierdoor toch iets heel bijzonders moest zijn – iets dat enorm verschilde van een louter beleren, mededelen of schetsen.

                Het zou nu van belang zijn om dit onderscheid precies in ogenschouw te nemen en een voorstelling en gevoel te krijgen van het wezen van de verkondiging van Christus Jezus door het Woord. Dit is des te noodzakelijker, omdat een begrip van de redevoeringen van Christus Jezus, zoals die overgeleverd zijn in de Evangeliën, zonder dat onderscheid nauwelijks mogelijk is. Zo wordt bv. de Bergrede aan de grootste misverstanden onderwerpen, wanneer men haar louter  opvat als een soort in spreukvorm ingekorte weergave van een “voordracht” of een “redevoering” van een leraar. Want als die als zodanig wordt opgevat, dan vervalt men eigenlijk aan het misverstand dat bv. Leo Tolstoi in de vorm van zijn “praktische christendom” voor de wereld vertegenwoordigde. Vat men de Bergrede echter niet als leer, maar als een soort symboliek op, dan blijft die in de lucht hangen en weet men daarmee in het echte leven niets aan te vangen; die verliest dan elke betekenis voor het streven, doen en laten van de mensheid en kan hoogstens nog voor stichtelijke doeleinden gebruikt worden. Vat men haar op als een lijst van aanwijzingen, dan trekt men haar naar beneden tot een niveau, waarop de kwesties van de militaire dienst of het vlees eten als de meest brandende worden gezien.

                Welnu, de Bergrede was echter in werkelijkheid het een noch het ander. Het was in werkelijkheid een geestelijke woordwerking, waarvan de betekenis hoog uittorende boven het aanwijzen door lering en het aansporen door symboliek. Daar werd het “Rijk” niet alleen in zijn grondeigenschappen aan het verstand van de discipelen gebracht, ook niet alleen voor het gevoel aanschouwelijk gemaakt; maar werd er – veel dieper dan het desbetreffende tegemoet gebrachte begrip en gewaarwordingsvermogen reikten –  een wezensbevruchting voltrokken die pas gaandeweg, middels meerdere levenslopen, vruchten moest dragen in de vorm van een bewuste kennis en gezindheid. De woorden van de Bergrede waren niet alleen aan de fysiek geïncarneerde persoonlijkheden gericht, maar door die persoonlijkheden tot hun wezenskernen die van incarnatie tot incarnatie voortschrijden. De Bergrede was aan het Ik van de mens gericht en was daarbij de uitdrukking voor een manier van spreken die de macht had om door de drie omhulsels van het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam het Ik van de mens te bereiken. Daarbij werd het Ik innerlijk tot een spirituele beweging aangemoedigd die langs geestelijke lijnen bepaalde – door de Bergrede overgedragen – vormen plaatsvond. Deze moreel-geestelijk bewegingsvorm of “Ik-gebaar” werd een ervaring van het Ik, en deze streefde er sindsdien naar om dit vormgebaar door al zijn incarnaties heen door middel van zijn lichamen te verwerkelijken.

                Een dergelijke geestelijke vorm ligt bv. aan het “Onze Vader” ten grondslag: Rudolf Steiner heeft de wezenlijke trekken van deze vorm meegedeeld in zijn – op een door hem gehouden voordracht gebaseerd – boekje “Het Onze Vader” (in: “Het Christelijke Mysterie” Karlsruhe 1907, GA 97).  Een andere bepaalde bovenzinnelijke vorm ligt ook aan de 9 zaligsprekingen ten grondslag.

                Men verbaze zich er niet over dat een dergelijke vorm van Rudolf Steiner in de genoemde werken in een eenvoudige geometrische figuur tot uitdrukking wordt gebracht, want de hoogste geestelijke taal kan alleen in geometrische figuren worden uitgedrukt. De gekleurde vormen hebben betrekking op het etherlichaam, de klankfiguren op het astraallichaam. Wil men in de eerste instantie een door een Ik-activiteit te begrijpen waarheid optekenen, dan staat alleen het kleur- en klankloze gebied van geometrische figuren ter beschikking. Bij voorgezette innerlijke arbeid aan een dergelijk figuur stroomt echter mettertijd kleur in haar lijnen en ook begint ze innerlijk te klinken – maar dit zijn dan echter hogere kleuren en hogere tonen dan die welke bij de andere genoemde gebieden van geestelijke uitdrukkingsvormen gelden.

                Het belangrijkste dat bij de Bergrede gebeurde was dus het geestelijk-bovenzinnelijke feit dat de innerlijke Ik-krachten aangespoord werden. Deze aansporing vond plaats door een beweging volgens de contouren van bepaalde moreel-geestelijke vormen die door Christus Jezus krachtig voor de diepste wezenskernen van de mensen werden gesteld. Eigenlijk was de van Christus Jezus uitgaande werking wezensgelijk aan de werking die in de oertijden uitging van de Geesten van de Vorm (Elohim), de geestelijke ouders van het menselijke Ik-wezen.  Want de Geesten van de Vorm hebben in het oerbegin de vorm van de te volgen missie van de mensheid op aarde ingeprent in de menselijke Ik-wezenheden. Wat in de Devachan-toestand vóór de incarnatie door de Exousiai werd gedaan, dat gebeurde nu op aarde in de toestand van belichaming door Christus Jezus bij de Bergrede. Want de mensheid had al de “naam” die haar door haar Vader in de hemel was gegeven vergeten; deze naam werd haar nu opnieuw gegeven door Christus Jezus op aarde en klonk opnieuw bij de Bergrede. Door de verkondiging van het Rijk werd de mensheid aan haar naam herinnerd; de vergeten kosmische missie van de mensheid lichtte op in de diepten van de zielen als een oer-eigen herinnering, wakker groepen door de macht van de vormen die door het woord van Christus over het Rijk werden overgedragen.

                Het buitengewone van de geestelijke werking van het woord van Christus Jezus wordt ook door de schrijvers van het Evangelie benadrukt. Zo zegt bv. Lukas: “En zij stonden versteld over Zijn leer, want het woord was (wortelde) in de Exousiai.” (kai exeplessonto epi te didache autoi hoti en exousia en ho logos autou –  Lukas 4 :32).

                Dit “Exousiai-woord” was hetgeen de Bergrede onderscheidde van de leringen en redevoeringen van andere leraren, zoals de Sadduceeërs en Farizeeërs (maar ook de Essenen). Want terwijl het woord van deze leraren een “woordomhulsel” was, d.w.z. alleen tot aan de omhullingen van de menselijke wezenskern reikte, dus in zekere zin “abstract” was, was het woord van Christus Jezus “wezenlijk”, d.w.z. dat het tot de innerlijke wezenheid van de mens doordrong die, hierdoor bekrachtigd, levenskrachten kon laten instromen tot in het fysieke lichaam, tot in het fysieke brein.

                Deze versterkende werking van binnenuit tot in het fysieke lichaam wordt in de Evangeliën aangeduid als het “brood des Hemels”, terwijl de werking die het etherlichaam beweeglijk maakte, d.w.z. het de vaardigheid verleende om eigen bewegingen uit te voeren  in de omringende zee van de elementale wereld, als “vis” werd aangeduid. De “spijziging met brood en vis” betrof een geestelijk-reëel  proces in het fysieke en het etherlichaam ten gevolge van het woord van Christus Jezus.

                Het woord van de Sadduceeërs en Farizeeërs bood echter “steen” in plaats van “brood” en “slang” in plaats van “vis”.  Want de verharde juridische gerechtigheid der Sadduceeërs was als steen voor de innerlijke krachten van de mens, en de casuïstieke, spitsvondige beweeglijkheid van de logica der Farizeeërs had een slangen-beweeglijkheid;  die versterkte niet het etherlichaam voor eigenbewegingen in het etherische, maar maakte het gewiekst voor de bewegingen op het aardoppervlak – zonder verworteling in de aardse werkelijkheid en zonder verheffing in een bovenzinnelijke werkelijkheid.

                Christus Jezus sprak niet “zoals de Schriftgeleerden en Farizeeërs”, d.w.z. Hij stelde noch een nieuwe morele wet op, noch interpreteerde Hij het oude op een nieuwe manier, maar Hij bevruchtte door Zijn woord het positieve karma van de mensheid voor de toekomst. Dit was wat zich werkelijk afspeelde tijdens de Bergrede; de spijziging van de mensheid met brood en vis, d.w.z. een dermate versterking van de menselijk Ik-wezenheid, dat deze niet alleen het astraallichaam van binnenuit kon aangrijpen, maar ook het ether- en het fysieke lichaam. Het kwam daarbij in wezen niet op lering en symboliek aan, maar op het uitstromen van de Christusimpuls. De Christusimpuls werkte echter net zoals in oertijden de Exousiai gewerkt hadden toen zij de “levende adem” in het wezen van de oermens inbliezen.

 

2. De negen zaligsprekingen als toekomstkiemen

van het positieve karma van de mensheid

Er is nauwelijks een onderwerp dat in de huidige Westerse wereld zo verschillend gedacht en voorgesteld wordt als de idee van karma, de wetmatigheid van het lot van de mensheid. Voor de een is het karma de optelsom van alle banden die de mens als gevolg van de begane fouten aan het aardse ketenen –  en hij neemt de moeite om door “niet-verstrikt-zijn” zijn “karma uit te delgen”. Voor een ander is het de wet van vergelding, d.w.z. van beloning en straf, en spant hij zich in om “verdienste” te verzamelen om “zijn toekomstig geluk” te verdienen. Een derde beschouwt het als de goedaardige wereldleiding die de mens met schijnbare gestrengheid door dik en dun leidt, maar die achter de schermen van deze tucht een onvermijdelijk “happy end” voor de hele wereld voorbereidt – en hij troost zich de moeite om zich op zijn lot te “verlaten” en het te “vertrouwen”.

 

Al deze opvattingen over het karma zijn eenzijdig, alhoewel ze ook niet onwaar zijn – ze bevatten alle reeds enige waarheid over het karma, maar beperken het door er persoonlijke elementen in te mengen,  hetzij uit berekening, hetzij uit gemakzucht. Waar het echter bij een christelijke instelling tegenover het karma in de eerste plaats op aankomt, is dat het karma de school van de mensheid is, waarin de geweldige ervaringen van de staties van de Passie van Christus Jezus – vanaf de deemoed van de voetwassing door de kruisiging tot aan de opstanding – worden gemaakt.

Hoe verschillend – van buitenaf beschouwd –  het karma van afzonderlijke individualiteiten of groepen dan ook moge zijn, in wezen is het sinds het mysterie van Golgotha niets anders dan het doormaken van de geweldige ervaringen van de zeven staties van de Passie van Christus Jezus, waaraan de ontmoeting met de in duizend en één verschillende vormen optredende drie verzoekingen in de woestijn voorafgaan. Het “positieve” karma van de mensheid in de toekomst zal dientengevolge niet daaruit bestaan dat een steeds groeiend aantal geluksvogels op aarde, zal verschijnen, maar dat er een groeiend aantal mensen zal zijn aan wie het vergund zal worden om hun karma met dat van de Christusimpuls te verbinden – d.w.z. in het verloop van hun lot die ervaringen op te doen, waarin de kennis van het christelijke mysterie gaandeweg zal kunnen oplichten.

                Nu is echter  het mensheidskarma van de Christusimpuls door de staties van de Passie en de opstanding van Christus Jezus voorgetekend; de mensheid die in het ondergaan van de drie verzoekingen voor de Christusimpuls heeft besloten, zal in haar karma daardoor niet  “gelukkig” maar “gezegend, zalig” (makarioi) worden gemaakt, d.w.z. dat het positieve karma van de mensheid niet uit het besparen van lijden en pijn zal bestaan, maar uit een nieuwe manier dit lijden en pijn te beleven. Dat de Christusimpuls het lijden van de mensheid instralen kan – daarin bestaat het positieve karma van de mensheid sedert het mysterie van Golgotha. En als gevolg van dit feit van de innerlijke transformatie, the metamorfose  van het  lijden zal geleidelijk een nieuw mensentype ontstaan. Dit type zal in mensen zal bestaan die, naast de van hun geluk genietende “gelukkigen” en in ongeluk neergeslagen “ongelukkigen” als een bijzondere, derde klasse zal optreden – namelijk de klasse die in de Bergrede als “makarioi,” de “zaligen” worden aangeduid. Deze type mensen zullen in de vreugde van het geluk de herinnering aan het ongeluk van de anderen niet uit het oog verliezen; anderzijds zullen zij in gevallen van ongeluk het gelukzalige van de levende geest tegenwoordig hebben. Wat in het symbool van de uit het zwarte kruis ontspruitende, lichtende rode rozen wordt uitgedrukt, zal bij die mensen steeds meer realiteit worden die in de Bergrede als “makarioi” zijn aangeduid.

                De realiteit van een dergelijk mens wilde Goethe in de hoogste vorm in zijn “Wilhelm Meister” ten toneel voeren – en hij gaf vanuit een dieper weten deze gestalte de naam “Makarie,” daarbij aanknopend bij de hier aangeduide samenhang met het Evangelie. Makarie was namelijk in staat om zonder verrekijker om alle bewegingen van de hemellichamen vanuit haar innerlijke te beschrijven, omdat ze in haar etherische bloedsomloop een exacte weerspiegeling van de bewegingen aan de hemel bezat. Zij kon van de sterrenbeelden daarboven weten, omdat zij deze beelden in haar eigen wezen droeg. En zij droeg ze in haar eigen wezen, zij kon haar wezen de kosmos ruimte geven, omdat het niet vervuld was van wat de openbaring van het kosmische tegenhoudt en de persoonlijkheid met egoïstisch beleefde vreugden en pijn vervult. Dat Makarie zo leeg, zo arm kon zijn – dàt was de reden waarom ze meer kon weten over de hemel dan het voor mensen anders mogelijk is. Makarie is eigenlijk de tot werkelijkheid geworden, levende belofte van de eerste zaligspreking van de Bergrede (zie Matth. 5: 3), waarin Christus Jezus de basisvoorwaarde voor de toebehorendheid tot de Makarioi-mensen als de leegte, de innerlijke armoede, “het bedelaarschap om geest” kenmerkt.

                Inderdaad zijn de negen zaligsprekingen van de Bergrede “karakteriseringen” [1] van een negengelede werkelijkheid van de “Makarioi-mensen” van de toekomst, d.w.z. de “schildering” van de toestanden die deze mensen in hun negen wezensdelen door te maken zullen hebben, om datgene te verwerkelijken wat in het positieve karma van de mensheid besloten ligt. Tegelijk zijn ze de fundamenten van de geestelijke school van het esoterisch christendom, want een occulte scholing ontstaat in wezen doordat het positieve karma als mogelijkheid vooruit wordt gezien en vanuit deze vooruitblik geestelijke oefeningen worden gecreëerd, die in zich het extract van al die inspanning en ervaring bevatten dat in de vooruit geschouwde lijn van het positieve karma aan beproevingen en ervaringen ligt.

                Men beschouwe vanuit dit gezichtspunt een klassieke geestelijke oefening die Rudolf Steiner bv. in de vorm van de concentratieoefening op het Rozenkruis heeft gegeven in zijn voor de openbaarheid bestemd werk “De wetenschap van de geheimen der ziel” (GA 13). Daarin wordt de oefening in drie fases onderverdeeld. Eerst komt het erop aan om een reeks doorleefde voorstellingen in een krachtig opgebouwd en in het bewustzijn vastgehouden beeld samen te vatten; als de volgende stap volgt de inspanning om het uit eigen kracht geschapen en beleefde beeld uit te wissen, zodat als onderwerp van de verdieping alleen nog de eigen zielsmatige activiteit die het beeld opgebouwd en vastgehouden heeft, overblijft; de derde fase van de oefening bestaat eindelijk om daarin ook deze beeldloze inhoud in het bewustzijn uit te wissen, waarbij een volkomen objectsloze leegte van het bewustzijn dient te worden bereikt en vastgehouden.

                Dit is het verloop van een geestelijke oefening. En wat is dit verloop, waar komt het vandaan, waarop is het gebaseerd? Het is een afbeelding van het verloop van het positieve karma van de mensheid tijdens de vijfde na-Atlantische  cultuurperiode en bevat in zich het extract van de ganse dramatiek van de lotswegen van de menselijke ziel gedurende een grote tijdspan van de toekomst. Want deze oefening stamt uit een voorschouw van de lijn van het positieve karma van de mensheid voor de toekomst! Men kan inderdaad terecht stellen dat deze in “De wetenschap van de geheimen der ziel” beschreven geestelijke oefening in zich niet minder profetische inhoud in gecomprimeerde vorm bevat dan zoal sommige hoofdstukken van de profeten uit het Oude Testament. En voor iedereen die deze oefening echt bewust volbrengt, is daardoor de weg geopend om in diepe toekomstgeheimen van de wereldgeschiedenis te schouwen.

                Men behoede zich ervoor om deze opgave zo licht op te nemen door tegen zichzelf te zeggen: de positieve toekomst van de mensheid bestaat uit de weg die leidt naar imaginatie, van imaginatie naar inspiratie en uiteindelijk van inspiratie naar intuïtie. Neen, waar het op aan komt is niet dit schema, maar het gewaarworden van het proces in de geestelijke wereldgeschiedenis dat eerst de menselijke ziel de mogelijkheid biedt om een innerlijke vanzelf werkende en zelf opgebouwde “rijkdom” te vergaren; daarop zal een tijd volgen, waarin geestesstormen van het lot alle tot dusver zo helder geschenen lichten zullen uitdoven en zich een duisternis en leegte en eenzaamheid in het bewustzijn van de mensen zullen verspreiden, die niet veel mensen zullen kunnen verdragen; en daarna zullen de zielen in een zodanige woestijn dienen te worden gevoerd waar ook de laatste toevlucht, de eigen zielenactiviteit van hen zal worden genomen. Niets zal voor de mens autoriteit, geen leraar van buiten, geen steun meer kunnen zijn – en in dit niets zullen de zielen zich moeten storten, zonder vooraf te weten of ze daar zullen opstaan of niet.

                De hier aangehaalde geestelijke oefening – als het toekomstideaal van de mensheid dat ze in geconcentreerde vorm afbeeldt – bevat eigenlijk het wordingsproces van het “bedelaarschap” zoals het in de eerste zaligspreking van de Bergrede bedoeld is. Want zoals de eerste zaligspreking luidt: “Zalig zijn de bedelaars om geest, want hunner is het Hemelrijk.” (makarioi hoi ptochoi to pneumati, hoti auto nestin he basilea ton uranon), zo luidt de Rozenkruisoefening van Rudolf Steiner door haar drie stappen: oefen je krachten, door jezelf innerlijk rijkdom te verschaffen! Sta deze rijkdom af, nadat je het geschapen hebt! Geef jezelf als bedelaar over aan de geest!

                Zo zeggen de zaligsprekingen en de geestelijke oefening hetzelfde; behalve dat de zaligspreking de belofte van een toekomstig karma inhoudt, terwijl de oefening een inspanning beschrijft om deze belofte te verwerkelijken.

 

Nadat we mogen hopen een gevoel te hebben gekregen voor de wereldhistorische draagwijdte alsmede voor de geestelijk-praktische betekenis van de negen zaligsprekingen van de Bergrede in het algemeen, zou nu het moment gekomen zijn om over te gaan tot een beschouwing van de afzonderlijke zaligsprekingen.

 

3. De eerste zaligspreking van de Bergrede als de toekomstweg van

het lot van de mensheid die haar het fysieke lichaam mogelijk maakt

 

De bewuste verhouding van de mensheid tot het fysieke lichaam was in de laatste twee millennia aan zwaarwegende misverstanden blootgesteld. Enerzijds pleegde men het lichaam als de grootse hinderpaal voor de toewijding van de ziel aan de geest te beschouwen, anderzijds pleegde men het te trainen voor brute taken van strijd en krachtprestaties. Het monnikendom en het ridderschap van de Middeleeuwen ontstonden als gevolg van deze eenzijdige – uiteraard onbegrepen – opvattingen over de betekenis van het fysieke lichaam voor de mensheid.  Het graalridderschap echter, waaraan een derde opvatting over de betekenis van het fysieke lichaam ten grondslag lag, kon slechts in kleine kring op begrip rekenen. Deze opvatting bestond daarin dat in wezen het fysieke lichaam de schouwplaats is, waarop de volledige vereniging van de hemel met de aarde verwerkelijkt kon worden. Want als het Ik van de mens zich bewust met de geest verbindt, is dit pas het eerste stadium van deze vereniging; betrekt deze verbinding ook het astraallichaam daarbij, dan is het tweede stadium bereikt; groeit echter deze verbintenis die het Ik met de geest heeft gesloten uit tot een macht die niet alleen het astraallichaam, maar ook via het etherlichaam tot in het fysieke lichaam neerdaalt, dan is de communie voltrokken. Daarom werd in kringen die begrip voor de graaltraditie hadden, het fysieke lichaam beschouwd als een “communie-lichaam”, d.w.z. als een aan de mens geschonken hoogste mogelijkheid van verbinding met de geest.

                Wat hier – in verband met de graaloverlevering – als communie werd aangeduid behoort tot de meest belangwekkende ervaringen, die gemaakt kunnen worden op het gebied van het initiatiebewustzijn die Rudolf Steiner als het intuïtie-stadium (of als de “arbeid aan de Steen der Wijzen”) kenmerkt. Dit stadium van inwijdingskennis is door het feit van het voorhandenzijn van het fysieke lichaam mogelijk gemaakt.  Want het fysieke lichaam is niet alleen een werktuig om de fysieke wereld te beheersen, maar ook een leerplaats waar grote geestelijk-morele waarheden door ervaring kunnen worden geleerd. De ervaring die de mens door deze waarheden deelachtig kan worden is in wezen tweedelig: enerzijds uit alle belevingen van de ziel die door het feit van het uitwissen van de geestelijke wereld uit het ervaringsbereik van de mens worden opgeroepen en anderzijds uit de belevingen van de ziel die door het proces van rechtstreekse tegenwoordigheid, van het in bezit nemen van de geestelijke wereld veroorzaakt worden.  Beide delen van de ervaringsweg die de ziel met behulp van het fysieke lichaam kan begaan, zijn in de twee delen, waaruit de formule van de eerste zaligspreking bestaat, vervat:

“Zalig zijn de bedelaars om geest,

Want aan hun is het Hemelrijk.” (Matth. 5:3)

De eerste regel van deze formule omvat de “weg van verarming” die de mensheid en de individuele mens heeft te gaan; het tweede deel omvat daarentegen de weg van het innerlijk in bezit nemen van het hemelrijk. Want bij de zinsnede “want hunner is het Hemelrijk” gaat het niet om de gedachte: “voor hun is het Hemelrijk bestemd” maar om de concrete intuïtieve verhouding tot de geestelijke wereld,  wat ook in de bezittelijke vorm van het Grieks (auton nestin he basileia ton uranon) voldoende duidelijk tot uitdrukking komt.

                De eerste zaligspreking bevat dus de moreel-geestelijke formule van de intuïtie-kennis en tekent tegelijk een figuur op, welke zich uit beide moreel-geestelijke bewegingslijnen die door beide delen van de formule wordt uitgedrukt, tot een eenheid samenvoegt. Want als men zich de weg der verarming als een geleidelijk proces voorstelt dat tot aan een nulpunt leidt (de “Poort des doods” volgens de uitdrukkingswijze van de mysteriën) en de weg van de inbezitname van het Hemelrijk als een proces dat na dit nulpunt direct verder gaat, dan verkrijgen wij de figuur van een cirkel, die van de rijkdom in de geest door de armoede in de geest tot het “bezit” van het Hemelrijk leidt. De figuur die met deze formule overeenkomst zou dan als volgt zijn:

 

De hier aangegeven weg van verarming [links] alsmede de weg van de opgang in het Hemelrijk [rechts] is ook het onderwerp van de slotscène van [Goethe’s] “Faust.” De hele compositie (zoals die uiteindelijk tot stand kwam) van de “Faust” is eigenlijk in de bovenstaande figuur van de eerste zaligspreking inbegrepen. Want de weg van Faust, vanaf het moment dat hij de abstractie de rug toekeert, voerde hem door de ervaring van schuld (deel I) tot de kennis van nood in de vorm van geld en het klassieke verleden, om uiteindelijk de door zorgen verblinde door de dood in de Rijken van de liefde te laten opstijgen.[2] De verzoeker had het oogmerk om Faust door de valse warmte (de tragedie van Gretchen) tot het valse licht (het licht van het verleden) en vandaar verder door de valse toekomstvisie (de zorg om de toekomst in materiële zin) in een vals bestaansgebied (de “hel”) te leiden.

                Maar nu gebeurde het dat de macht van de door de verzoeker in scène gezette warmte-ether tot de kennis van de schuld, d.w.z. van het tegenbeeld van de morele kou-ether leidde en dat de verlokkende lichtether-gestalten van het verleden de herinnering wakker riepen (in de gestalte van de sluier van de schone Helena) ten gevolge waarvan het bewustzijn van de tegenwoordige nood, de bewustwording van wat ingeboet en verloren gegaan is, d.w.z. de ontmoeting met de moreel-duistere tegenhanger van het lichtvolle verleden. En de influistering van een valse toekomst door middel van de negatieve klankether leidde tot de kennis van diens morele tegenbeeld, de grauwe  gestalte van zorg.                 De innerlijke warmte en het innerlijke licht die door deze ervaringen werden aangewakkerd, voeren dan de ziel van Faust door de dood –  en wel door de dood als poort naar de wereld van het ware leven, maar niet als toegangspoort tot het Rijk van het valse bestaan.

Rudolf Steiner sprak van de sterfscène en de hemelvaart van Faust als een exacte beschrijving van de inwijding. Het komt het er dientengevolge op neer de inwijding ook langs de weg van de kennis van schuld, nood, zorg en dood te begrijpen. En het komt er ook niet minder op neer om in te zien dat de spreuk waarin de door Goethe gegeven beschrijving van de inwijding culmineert: “Wie volhardt in zijn streven, die kunnen wij verlossen” slechts in andere bewoordingen de eerste zaligspreking herhaalt: “Zalig zijn de bedelaars om de geest, want hunner is het Hemelrijk.” Want iemand die aanhoudend streeft in het rijk van de schuld, nood, zorg en dood is nu eenmaal een bedelaar om geest, zoals dat in het Evangelie is bedoeld. En dat een dergelijke verlost, d.w.z. een “Makarioi-mens” kan worden, dat zegt de eerste zin van de Bergrede alsook het volledige levenswerk van Goethe.

                Nu is het zo dat de ervaringen die de kennis van de menselijke schuld, de menselijke nood, zorg en dood mogelijk maken, alleen in het fysieke lichaam kunnen worden opgedaan. En die zijn het eigenlijk die in de mens tegelijkertijd die moedkracht en deemoed op kunnen wekken die hij bij de initiatie nodig heeft om door het “oog van de naald” te kruipen. Want alleen degene die zich bewust is van de omvang van de menselijke schuld en de daaruit voortvloeiende nood, kan die mate van deemoed voor de geestelijke wereld ontwikkelen die nodig is om door de geestelijke wereld opgenomen en niet door haar als een moreel vreemd lichaam afgestoten te worden; anderzijds kan slechts diegene de nodige moed opbrengen om zich in het duistere Niets te begeven in welker gestalte de geestelijke wereld zich op het beslissende moment aan degene voordoet die niet alleen het alledaagse maar ook de werelddag in het vale licht van de bezorgdheid aanschouwd heeft zonder te zijn lamgeslagen, en die zich bij de aanblik van al het stervende in de wereld, in de mensheid en in zichzelf niet naar de ander kant heeft gekeken. Alleen in de school van het fysieke lichaam kunnen deemoed en moed worden geleerd, zoals die de vrije mens, de geïnitieerde voor het afsluiten en verwerkelijken van een vrije bond met de geestelijke wereld nodig heeft.

 

Hetgeen tijdens de initiatie sterk samengevat en in verhoudingsgewijs korte tijd doorgemaakt wordt, zal ook door de mensheid op het pad van haar geestelijke-historische lotsbestemming geleidelijk moeten worden doorgemaakt. De mensheid heeft door de school van het fysieke lichaam heen te gaan en haar blijft daarbij geen enkel fase van deze scholingsweg bespaard. Tegen dit noodlot verzette zich  het oud-Indische bewustzijn; het ervoer het fysieke lichaam als een illusie en diens verbinding met de ziel als een degradatie. Dit was de oorzaak voor het falen van de oud-Indische cultuur en waarom er een nieuwe, de oud-Perzische gesticht diende te worden.

                Men kan zich hierbij nu afvragen: Waarom wendde het oud-Indische bewustzijn zich van het fysieke lichaam af? Wat was de diepere oorzaak van deze afschuw? – Welnu, de oorzaak van de oud-Indische gruwel over de fysieke natuur van de mens was eigenlijk dezelfde die bij de moderne mens de gruwel over de concrete geestelijke wereld te weeg brengt. Zoals er vandaag de dag een onbewuste vrees schuilgaat, die de mens ervan weerhoudt om naar de geestelijke wereld te zoeken, zo lag ook in de oud-Indische tijd een soort onderbewuste vrees ten grondslag aan een minachting van de fysieke wereld. En zoals tegenwoordig de huidige mens de geestelijke wereld ontvlucht, omdat hij een ontwaken van zijn geweten vreest, een ontwaken dat bij de drempel van de geestelijke wereld dient plaats te vinden (d.w.z. vóór de ontmoeting met de wachter op de drempel), zo vreesde de oude Indiër de duisternis van het fysieke lichaam, d.w.z. vrees voor de directe confrontatie met Ahriman.

          Nu is echter iedere confrontatie met Ahriman, die altijd in duisternis plaatsvindt, tegelijkertijd de school van het fysieke lichaam, waarvan de stadia schuld, nood, zorgen en dood zijn. Voor deze school deinsde het oud-Indische bewustzijn terug en was dientengevolge niet in staat om de grote waarheden van de oerschuld en het oerkarma van de mensheid te onderkennen. Wat er in de overigens zo wonderbaarlijk sublieme Indische wijsheid ontbrak, was de kennis van die waarheden van de wording en het lot van de mensheid, die pas later bij het Israëlitische volk in de vorm van Genesis (het eerste boek van Mozes) oplichtten.

                De kennis van het individuele karma en van de individuele reïncarnatie was voor de Israëlieten over het algemeen toegesloten, de kennis van het karma van de mensheid en van de toekomstgeschiedenis van de mensheid was voor de Indiërs over het algemeen toegedekt. Aldus verschijnt de totale wijsheid verdeeld in fragmenten in verschillende streken en in verschillende tijden; alleen datgene bewustzijn dat zich boven het ruimtelijke en boven het tijdelijke kan verheffen, is in staat de alwijsheid als eenheid te bejegenen. De uitspraak van Paulus dat onze kennis slechts fragmentarisch is (1 Cor. 13:12), bevat in zich enerzijds de samenvatting van de mysteriëngeschiedenis, anderzijds echter een oproeping om zich tot het mysterium te verheffen dat alle fragmenten verenigt, namelijk het Christusmysterium.

                Het feit dat het oud-Indische bewustzijn van de kennis over de oer-schuld (de 'erfzonde' van de Bijbel) van de mensheid werd afgehouden, had niet de bevrijding van het algemeen menselijk karma als resultaat, maar het ondergaan van dit karma met verzet en onwil. Het pessimisme tegenover het leven dat in de Indische cultuur relatief vroeg ingang vond, was niet alleen te wijten aan het feit dat het Indische bewustzijn naar de geest verlangde, maar ook daarin dat het verlangde om van aardse noodzakelijkheden verschoond te blijven. Zo werd de oud-Indische cultuur een uitdrukking van innerlijk smachten – niet omdat dat deel van de mensheid bijzonder ongelukkig geweest zou zijn en een harder levenslot dan de rest van de mensheid toebedeeld zou hebben gekregen, maar omdat het ontevreden met zijn lot was. En het was niet tevreden met zijn lot, omdat het het mysterie van dit lot, de zin en de grootheid ervan voor de toekomst, niet kon onderkennen. Zo gebeurde het dat het oude Indiërdom wel het feit van de erfzonde uit te kotsen had, maar dit niet kende.

 

De kern van de oud-Perzische cultuurgemeenschap werd daarentegen gevormd door mensen die doordrongen waren van de impuls om de confrontatie met Ahriman niet uit de weg te gaan. Het waren geen mensen die het lichaam verachtten, maar degenen die vastbesloten waren om van het lichaam in het rijk der daden het meest edele gebruik te maken. Deze moed was echter niet alleen op het vlak van de daadkracht vruchtbaar, maar ook op het vlak van de kennis. Want binnen de oud-Perzische gemeenschap kon de grote ontdekking gemaakt worden: Ahriman, die voor het Indische bewustzijn verborgen was geweest.

                Het ging er voor het oud-Perzische bewustzijn niet om de zuivere geestelijke wereld tegenover de onzuivere fysieke wereld te stellen, maar het zuivere van het onzuivere te onderscheiden, zowel in deze wereld als in de bovenzinnelijke. En dit leidde de oude Pers dan ook tot een dieper inzicht in het wezen van het fysieke lichaam: hij besefte dat het lichaam de schouwplaats is van de strijd tussen beide machten, d.w.z. dat het sinds mensenheugenis zowel zuiverheid als onzuiverheid in zich draagt. Als gevolg van dit inzicht had de oer-Pers kennis van de zonde die in de menselijke natuur geworteld is, maar hij wendde zich om die reden niet van dit deel van de menselijke natuur af, maar nam de strijd op, zowel in de uiterlijke wereld der daden alsook in de innerlijke wereld van de zelfoverwinning.

                De stap die het oud-Indische bewustzijn niet had gezet, zette dus het oud-Perzische wel. Daarom kwam het bij laatstgenoemde niet meer aan op de overwinning van de vrees om van het feit van de erfzonde, de oerschuld van de mensheid, gewaar te worden maar op iets anders.

                De beproeving waar de oud-Perzische gemeenschap vooral mee werd geconfronteerd, werd bepaald door de gehele situatie waarin deze gemeenschap binnen haar geografische omgeving verkeerde. Het was een relatief kleine gemeenschap, die in de bergen en op de hoogvlakte van Iran zijn toevlucht zocht tegen de talrijke haar omringende vijandig gezinde Turaanse en half-Turaanse volksgroepen.

                Rond de tijd dat de grote Zarathoestra zelf de leiding en het onderwijs van dit volk op zich nam, was de situatie waarin het verkeerde er een van extreme verdrukking en bittere armoede. Wie zich de hoogste bloeitijd van de oud-Perzische geest indenkt als op de een of andere manier vergelijkbaar met het Medo-Perzische Rijk van Xerxes, Cambyses en Darius, waar in Persepolis, Ektabana en Susa in machtige paleizen, omringd door duizenden courtisanes en een glanzende lijfwacht, de koningen de opeenvolgende seizoenen doorbrachten, die vervalt tot een radicaal misverstand. Want een groter contrast is nauwelijks denkbaar tussen de kleine volksgroep der oer-Perzen die in bittere armoede in bergen en kloven haar bestaan voerde en die hun leider, de grote Zarathoestra, bijna niets anders kon bieden dan het volle vertrouwen van de zielen en hun bloed in de onophoudelijke gevechten –  en het door Cyrus opgerichte Perzische Rijk. De grote Zarathoestra had geen hofhouding en geen paleizen, ja, er was zelfs geen tempel bij het arme herdersvolk dat naar de akkerbouw verlangde, maar dat nauwelijks de mogelijkheid had om zich aan die desgewenste arbeid te wijden. De mysterieplaats van het verkeer van Zarathoestra met Ahura Mazdao en van het onderwijs aan zijn kring van leerlingen was geen tempel maar een kale berg. En de residentiesteden van Zarathoestra waren kleine, aan de voet van deze berg gelegen nederzettingen.

                Het oud-Perzische volk had niet alleen te strijden tegen materiële ontberingen, maar het moest ook in een situatie van uiterste nood zijn lichamelijk en geestelijk bestaan tegen een veruit superieure vijand beschermen en behoeden. Dus moest het zich – vele generaties lang – tegen de nood in allerlei gedaante teweer te stellen. Uit de schaal van de nood had het oud-Perzische volk te drinken; tot de laatste druppel moest het de nood uitkotsen en de ervaring van de strijd – niet alleen om het materiële bestaan en ook niet alleen om het geestelijke bestaan, maar tegelijkertijd om zowel het materiële als het geestelijk bestaan – als ervaring in de karmische toekomst van de mensheid te integreren.

 

Deze ervaring is van fundamenteel belang voor de gehele toekomst van de mensheid. Want dit soort ervaringen, bv. de ervaring van schuld en nood van de mensheid, worden aan de volgende incarnaties overgedragen. En wel worden ze niet als ideeën en voorstellingen, maar als morele krachten overgedragen. Zo wordt bv. de ervaring van schuld van de mensheid (d.w.z. de "erfzonde" in Bijbelse zin) tot een kracht die de neiging van de enkeling om zich hooghartig van de hele mensheid af te zonderen tegengaat. Wie de menselijke natuur als zodanig heeft ervaren, zal samen met Goethe moeten toegeven dat hij de kiemen van al het kwaad in zich bergt. Hoe groot dan ook zijn positieve mogelijkheden en prestaties mogen zijn: hij zal nooit uit de hoogte op mensen neerkijken; want hij zal nimmer in staat zijn om te vergeten dat er in de menselijke natuur voor de hoogste rechterstoel in de wereld gelijkheid bestaat. Van een ongelijkheid in de zin van het goede zou eigenlijk alleen kunnen worden gesproken met betrekking tot de mensen die door de poort van de dood heen gegaan zijn en de Kamaloka-periode achter de rug hebben. Dus pas in de Devachan-toestand zou van een werkelijk verschil in kwaliteit kunnen worden gesproken; de Devachan-toestand is echter zodanig dat daar alleen de werkelijke bestaanstoestand telt en inschattingen geen enkele betekenis hebben.

Zo wordt de ervaring van de schuld van de mensheid tot de morele kracht van deemoed, waarin het individu zich zowel een gelijkwaardig als een onwaardig lid van de mensheid weet te zijn.

Eveneens wordt de ervaring van de nood tot een zekere morele kracht: ze wordt tot de kracht van het uithoudingsvermogen, van standvastigheid, trouw jegens mensen, ideeën en intenties.

De ervaring van de zorg, die een aanval door de vereende krachten van twijfel en vrees is, heeft de morele kracht van moed tot gevolg – en alleen uit de ervaring van de dood komt de kracht van de liefde voort, die sterker is dan de dood.

 

De ervaringen die tot de ontwikkeling van deze krachten voerden, waren de beproevingen waarop in de opeenvolgende cultuurtijdperken steeds het accent lag. En zodoende was het op het oud-Perzische tijdperk volgende Egyptisch-Chaldeeuwse de tijd van de zorgen van de na-Atlantische mensheid.

Men beschouwe in dit licht bv. het grote epos van de Chaldeeërs, het Gilgamesch-epos, en men zal ervaren hoe sterk de zorgen juist de meest representatieve persoonlijkheden van die tijd hebben aangegrepen. Want het gehele Gilgamesh-epos is in wezen een epos van zorgen: de veiligheid en de zekerheid uit het verleden over het lot van de menselijke ziel gingen voor de held van het epos verloren, en de hele dramatische handeling van het epos kwam uit deze onzekerheid en bezorgdheid voort.

                Men beschouwe aan de andere kant de Egyptische priestercultuur en men zal daar dezelfde gelding van de zorgen aantreffen. De "Zonen van de weduwe", de Egyptische priester-ingewijden, beklaagden de uiteengereten Osiris; want het gehele Osirismysterie, dat als enige veiligheid en zekerheid kon bieden, was onmogelijk te bereiken. En de gebouwen van de grafsteden, de mummiecultus, de vele toverspreuken uit het Dodenboek – ze getuigen alle op verschillende manieren van de grote zorgen van Egypte: de zorgen om het behoud, de redding van de ziel, de gestalte, de naam, de traditie...

                Het was de donkere afgrond van de dood en vergankelijkheid die voor het bewustzijn van de Chaldeeuws-Egyptische mens stond en hem met zorgen voor de toekomst van de ziel vervulde. Maar de "Angel van de dood" drong pas volledig tijdens de Grieks-Latijnse cultuurperiode door in het bewustzijn van de zielen. Daar ging het niet alleen om onzekerheid over de toekomst van de ziel, maar veeleer om de zekerheid dat het bestaan van de ziel na de dood in ieder geval bleker was dan haar bestaan van vlees en bloed. Het bestaan zonder vlees en bloed moest in ieder geval – zo werd het ondervonden –  iets schimmigs zijn, juist omdat het zonder vlees en bloed was.

                De moed der wanhoop van een Empedocles van Agrigentum (in de 5e eeuw v.Chr.), die zich in de kegel van de Etna stortte, was geen uiting van levensmoeheid of levensminachting, ook niet van een voorkeur voor het onstoffelijke bestaan van de ziel, maar een wanhopige vastberadenheid om anders te sterven dan mensen gewend waren te sterven. Het schaduwbestaan van de onstoffelijke ziel wilde Empedocles ontgaan, waarbij hij door die handeling, zowel als door de magische wilsdaad van zijn dood zich met de elementen van de aarde hoopte te verenigen, teneinde in hen en met hen verder verbonden te blijven en dus van de eenzaamheid van het schaduwbestaan van de ziel bevrijd te worden.

 

Voor de bevrijding van deze "Angel des doods", van de vereenzaming van de ziel, voldeed echter de magische moed van Empedocles niet, ook de kennismoed van Socrates niet; maar diende er zich een hogere kracht aan het menselijk bewustzijn te openbaren. Deze kracht was de liefde die door Christus Jezus in de wereld werd geopenbaard en die, gaande door dood en opstanding, veel mensen de stralende zekerheid hergaf, van waaruit Paulus riep: "Dood, waar is jouw angel?".

                De mensen die eenmaal de werkelijkheid van de Christusimpuls hadden ervaren, hadden daardoor ook de zekerheid herwonnen dat de vereenzaming van de ziel, het schaduwbestaan, kan worden overwonnen en dat derhalve daar waar vroeger alleen een verarming en verbleking van het bestaan verwacht werd, een rijk leven kan opbloeien dat niet minder warm is dan de warmte van het bloed, en niet minder helder dan de helderheid van de zintuigen van het lichaam.

                Er konden echter tijdens het Grieks-Romeinse tijdperk niet alle mensen zonder meer de werkelijkheid van de Christusimpuls ondervinden; dit was aanvankelijk alleen mogelijk voor diegenen die aan een bepaalde voorwaarde voldeden. Deze voorwaarde bestond in wezen daarin dat aan de ontmoeting met de Christusimpuls kennis van de menselijke schuld vooraf diende te gaan. De belevenis die Johannes de Doper door zijn waterdoop bij de mensen teweegbracht moest in welke aangepaste vorm dan ook door ieder mens gemaakt worden om voor de Christusimpuls ontvankelijk te zijn. Het berouw of "verandering van gezindheid", waartoe Johannes de Doper de mensen opriep, bevatte in zichzelf als essentieel onderdeel de kennis van de menselijke natuur, zoals die ten gevolge van de zondeval was geworden. En deze kennis, die in de ziel een basisstemming van schuldbewustzijn vrijmaakte, was de voldoende maar ook onafwendbare voorwaarde voor de ontmoeting met de Christusimpuls gedurende de vierde na-Atlantische cultuurperiode.

 

Deze voorwaarde geldt ook voor de twintigste [en wel eveneens voor de eenentwintigste] eeuw, hoewel die inmiddels niet meer voldoende is. Vandaag de dag is er een andere voorwaarde bijgekomen: behalve de menselijke schuld moet ook de menselijke nood herkend worden. En het is diepe ernst, wanneer men vandaag de dag in zichzelf zegt: het schuldbewustzijn ten opzichte van de geestelijke wereld, van de mensheid en van de natuur is de eerste voorwaarde om in deze tijd de werkelijkheid van de Christusimpuls te ervaren, de tweede voorwaarde echter is het beleven en leren kennen van de geestelijke nood, de zielennood en de natuurlijke nood van de mensheid. Mensen die tegenwoordig in het bewustzijn van hun eigen gelijk leven als basisstemming van hun ziel brengen de Christusimpuls niet het noodzakelijke tegemoet, opdat deze impuls zich door hen in de wereld als een kracht van sociale broederschap zou kunnen bewijzen. Aan de andere kant dienen alle mensen die deze voorwaarde wel in zich dragen vandaag de dag door hun lot de ervaringen van de drie vormen van nood door te maken –om nog een deel van de waarheid te leren, die in de zin vervat is: "Zalig zijn de bedelaars om geest".

                Het komt er tegenwoordig op aan om ten volle te beseffen dat de mensheid een ernstige geestelijke ziekte te dragen heeft, een feit dat des te tragischer is, omdat het door het overgrote deel van de mensheid totaal niet wordt opgemerkt, ja bevestigd en verdiept wordt. Want hoeveel mensen ervaren tegenwoordig ten volle de nood van het bewustzijn dat elke nacht wordt uitgedoofd en dat te oordelen en te handelen heeft zonder herinnering aan het karmische verleden, zonder medeweten van de karmische samenhang - zonder welk medeweten men helemaal niet in staat is om juist en rechtvaardig te oordelen?

                De geestelijke nood van de mensheid, het tragische feit van haar verblinding en het zelfs nog tragischer feit van haar voorkeur voor die verblinding is iets dat in het heden gekend moet worden. Deze kennis is pijnlijk, maar ze bewerkt ook iets goeds: als men werkelijk weet hoeveel mensen en welke mensen daadwerkelijk niet weten wat ze doen, dan zal men daardoor veel toleranter worden en leert men om zich te verheugen over alle kleine lichtpuntjes als eerste aanzetten voor de overwinning op de heersende illusie.

                Bijna nog ernstiger gesteld als de kennis van de geestelijke toestand van de mensheid is de kennis van de zielennood. Want daarbij gaat het om het inzicht dat de ziel tegenwoordig even onophoudelijk uit het bewustzijn en de activiteit van de mensen aan het verdwijnen is als in het vorige millennium de geest uit het bewustzijn van de mensheid verdween. De zon gaat in het zielenleven van de mensen onder; het hart van de mens vertoont steeds meer trekken van de maan, wordt steeds meer tot een spiegel van de doelstellingen van het hoofd en de driften van de lagere mens. Maar noch de doelstellingen van het hoofd (en tegenwoordig wordt vrijwel alles gedomineerd door doelstellingen, zodat zelfs als iemand die niet zou hebben, zijn handelen desondanks door geheime verborgen doelstellingen te verklaren is), noch begeertes hebben iets met het ware zielenleven van doen. Want het echte zielenleven is de helder lichtende scheppingskracht van de ziel; die alleen is in staat zowel het denken als de aandriften de ware en menswaardige richting te geven. Dat deze kracht op alle gebieden van het menselijk leven meer en meer versaagt, is de belangrijkste ervaring die men maken kan ten opzichte van de huidige geestelijke nood.

                De tegenwoordige nood blijft echter niet beperkt tot het innerlijk leven van de mens. De sociaal-maatschappelijke nood en de steeds verder toenemende ziekten van het lichaam vertegenwoordigen een even onthutsend beeld als het beeld van de nood van het innerlijk leven van de mensheid. Vooral mensen die zich met geesteswetenschap bezighouden dienen deze kant van de menselijke nood bijzonder intens onder ogen te zien, want hier ligt het gebied van waaruit door de ahrimanische machten de sterkste aanvallen ondernomen worden om de geest te verduisteren en de ziel uit te doven.

 

Zoals het tegenwoordig aankomt op de kennis van de nood, zo zal het in de toekomst – namelijk in het zesde na-Atlantische tijdperk – op de kennis van de zorg aankomen. Er zal een tijd komen waarin de mensen alleen nog maar zo veel levensvreugde zullen hebben als het hen door de toediening van geesteswetenschappelijke kennis mogelijk zal worden gemaakt. De mensheid zal dan volledig op het verticale van de verhouding tot de geestelijke wereld aangewezen zijn; het horizontale van haar verhouding tot de wereld van de ruimte zal haar echter op zichzelf alleen nog maar zorgen kunnen baren.

 

Tijdens de zevende cultuurperiode zal dit kruis van spanning al niet meer alleen door de zorgen veroorzaakt worden maar door de dood. Stollende doodskrachten zullen dan de krachten van de liefde tegenwerken. Het zal er dan op aankomen de dood in zijn alzijdige werkzaamheid te herkennen en herkennend tegenover hem stand te houden.

 

Het gaat in de tweede helft van de na-Atlantische ontwikkeling met name om de kennis van de schuld, de nood, de zorg en de dood; het werkelijk overwinnen van deze krachten is echter aan een verdere toekomst voorbehouden. Ja, de uiteindelijke overwinning van de dood, zoals die in de opstanding van Christus Jezus plaatsvond, zal voor de gehele mensheid pas tijdens de zevende planetaire periode van de wereld – de Vulcanus-periode – mogelijk zijn. Pas dan zal de mensheid het "opstandingslichaam" ten volle kunnen vormen.

 

Zo breidt zich voor het bewustzijn de eerste zin van de zaligsprekingen van de Bergrede uit tot de kosmische geschiedenis van schuld, nood, zorg en dood, en verdiept deze zich tot inzicht in het wezen van de inwijding als de verwerkelijking van het intuïtieve niveau van kennis van de geestelijke wereld door de stadia van de kennis van schuld, nood, zorg en dood. Want de eerste zaligspreking behelst de formule van de intuïtie-kennis op de weg van de christelijke inwijding, die op zijn beurt niets anders is dan de geconcentreerde beleving vooraf van het positieve toekomstkarma van de mensheid.

     De volgende beschouwingen zullen aan de andere zaligsprekingen van de Bergrede gewijd zijn.


[1] Dit woord staat in aanhalingstekens, omdat het hierbij niet gaat om louter karakteriseringen en schilderingen, maar om woordwerkingen zoals die in het 1ste hoofdstuk van deze beschouwing over het Nieuwe Testament zijn aangeduid.

[2] De gestalte van gebrek, die samen met de gestalten van schuld, nood en zorg in de verblindingsscène van Faust optreedt, is hier in de gestalte van nood inbegrepen.



IV. DE EERSTE DRIE ZALIGSPREKINGEN VAN DE BERGREDE ALS FORMULES VAN TREDEN VAN HET INITIATIEBEWUSTZIJN


1. Het wezen van het intuïtieve bewustzijn
in verband met de eerste zaligspreking van de Bergrede


De voorafgaande beschouwing (III) wilde duidelijk maken dat de eerste zaligspreking de formule van intuïtiekennis bevat en ook de karmische wegen van de mensheid uitdrukt die tot dit bewustzijnsniveau voeren. Teneinde ook de volgende zaligsprekingen op dezelfde wijze te begrijpen, is het noodzakelijk het wezen van de intuïtieve kennis te beschouwen om dan in staat te zijn aan de hand van de tweede en derde zaligspreking duidelijker het wezen van de andere twee treden van bovenzinnelijke kennis te begrijpen.

                Intuïtieve kennis komt tot stand als op het moment van de kennisakte drie voorwaarden aanwezig zijn: de kennende ziel moet over de mogelijkheid beschikken om niet alleen buiten zichzelf te treden, maar ook in het andere wezen te leven; het andere wezen moet met dezelfde mogelijkheid begiftigd zijn, en ten derde moet dat andere wezen de wil hebben om een intuïtieve verhouding met de mens aan te gaan.

                Hoe kortbondig en droog de bovenstaande zinnen op het eerste gezicht ook mogen lijken, in feite wijzen ze naar een wereld van ervaringen en kennis. Want de intuïtieve kennis is niet armer dan de andere drie kennissoorten – de objectieve, de imaginatieve en de geïnspireerde kennis – alleen onderscheidt zij zich zo sterk van de andere dat haar naderbij komen als verarming wordt beleefd. Daar gaat het ten eerste om het proces van verliezen van niet alleen alles waarmee de ziel innerlijk gevuld was, maar ook wat zij geestelijk "van buitenaf" met inhouden en belevenissen kon vullen. Daar wordt het stil en leeg in en rondom haar. Er is dan het nulpunt van het beleven bereikt. Zou de ziel nu in deze toestand verblijven in afwachting van een of andere gebeurtenis, dan zou er niets gebeurd zijn. Want de scholing van de ziel op weg naar intuïtie bestaat juist daarin dat een zwijgen van de kant van de geestelijke wereld rondom de ziel ontstaat, waarbij elk luisteren en afwachten tevergeefs is. De ziel moet daar vanuit het niets een daad volbrengen; ze moet verder gaan dan het nulpunt. Daar heeft de ziel geen gedachten of beelden of gewaarwordingen meer te bewegen; ze heeft nu haar wezen zelf in beweging te brengen. Een wezensbeweging heeft ze te bereiken, die voor het bewustzijn dat ze achtergelaten heeft net zo onmogelijk schijnt als het laten aanzwellen van een stroom water uit een rots. En toch gaat het er hierbij juist om een kracht te vinden die voor de ervaring van de ziel niet voorhanden is. Zoals een rots onbeweeglijk en waterloos is, zo beleeft de ziel haar innerlijk. En dit roerloos-lege innerlijk heeft geboorte te geven aan een kracht, opdat de intuïtiekennis tot stand moge komen. Deze kracht is het die de ziel nodig heeft teneinde buiten zichzelf om, in andere wezens, te kunnen leven, zonder daarbij het bewustzijn te verliezen.

                Dit proces van doorgang door het nulpunt en uittreden van het bewustzijn uit zichzelf dat hier van de binnenkant, d.w.z. zoals het zich voor het bewustzijn van de ziel afspeelt, gekarakteriseerd is, kan vanuit haar buitenkant ongeveer als volgt gekarakteriseerd worden: eer de derde trede van het ontwaken van het menselijk bewustzijn in de innerlijke arbeid aan zijn ontwaken bereikt is, is het menselijk hart geestelijk een brandpunt, waarin twaalf kosmische stromen die uit de dierenriem sterrenbeelden van de hemel voortvloeien, met elkaar kruisen. Het middelpunt van het hart wordt dus van buitenaf gevormd: doordat de twaalf instralingen elkaar kruisen, ontstaat het brandpunt van het hartcentrum.

 

Begint echter de derde fase van de arbeid aan het ontwaken van het bewustzijn werkzaam te worden, dan ontstaat er eerst een verandering in de organisatie van het menselijke hart: het middelpunt van het hart wordt van de kosmische instraling afgesneden. Gebeurt dit, dan is het nulpunt in het beleven van de ziel bereikt. De ziel beleeft zichzelf als louter onbeweeglijk punt van het bestaan, dat in eenzaamheid, duisternis en stilte is ondergedompeld. Maar anderzijds is dan ook het moment bereikt, waarop het bewustzijn zichzelf niet alleen als eenzaam beleeft, maar ook als geheel onafhankelijk, op zichzelf gesteld en tot zichzelf beperkt.

                Dat het zich als geheel op zichzelf gesteld beleeft, kan in de gewone bewustzijnstoestand de naklank van een zaligmakend gevoel van vrijheid achterlaten; maar dat het zich als tot zichzelf beperkt beleeft, kan in het gewone bewustzijn als naklank het gevoel van een pijnlijke zielsmatige kortademigheid teweeg brengen. Houden deze beide gevoelens elkaar in evenwicht, dan is de mens in staat om de toetsing te doorstaan die Rudolf Steiner in zijn werk Hoe verkrijgt men bewustzijn op de hogere gebieden (GA 10) aanduidt als de "luchtproef".

                Het kenmerk van de luchtproef is enerzijds de volledige afwezigheid van beweegredenen, regels, enz., d.w.z. een totale leegte van het bewustzijn, van waaruit de kracht tot een geestelijke daad heeft te ontstaan; anderzijds is het de subjectieve ervaring van de ziel als in een luchtledige ruimte, waar iedere toestroom van adem voor de ziel ophoudt. En het kenmerk dat het kritische punt van de luchtproef met succes gepasseerd is, bestaat hieruit dat het genoemde middelpunt in het hart, na afgeknepen te zijn van de kosmische invloeden, niet alleen bestaan blijft, maar zelf, van binnen naar buiten gaat stralen. De grote verandering die in de organisatie van het geestelijke hart van de mens plaatsvindt is dat het hart zelf de kosmos begint in te stralen.


De lichtkracht die uit het hartcentrum geboren wordt, wordt dan geleidelijk het vermogen van het bewustzijn om in andere wezens te leven. Ze is de openbaring van de Christusimpuls die het menselijke organisme omstulpt. De beproeving die eraan voorafgaat, is de beproeving van de geboorte van de liefde, d.w.z. de omschakeling van de gehele menselijke wezenheid op de liefde als de centrale motivatiebron voor het leven en werken.

                Aangezien de intuïtiekennis uitgesproken liefdeskennis is, kan ze geen passief “onderwerp” van kennis hebben waarin ze, zonder haar toedoen, zou kunnen binnendringen. In de intuïtiekennis bestaan geen “onderwerpen”', maar alleen wezens die de kennende mensenziel net zo kennend doordringen als deze hen kennend doordringt. Daarbij gaat het dus om twee wilsrichtingen, die elkaar ontmoeten en – door zich voor elkaar te openen – in elkaar leven. Zo betekent de intuïtieve kennis van een steen een wederzijds elkaar doordringende ontmoeting met de wezenheid van de minerale groepsziel (of nog hogere wezens die in het minerale rijk werkzaam zijn). In het proces van de intuïtie kent men niet alleen, maar wordt men ook zelf gekend. Daarbij vindt een verrijking voor beide partijen plaats, door wier samenwerking de intuïtie tot stand kwam. Als een belichaamd mens zich door middel van intuïtie kennis verschaft van de geestelijke wereld, betekent dit dat ook de geestelijke wereld deze mens door intuïtie leert kennen. Dat leidt dan tot een verrijking van beide werelden. En wel een verrijking niet enkel en alleen van kennis, maar met name van het willen en kunnen. Want de intuïtie is een daad, waar beide werelden tegelijk aan deelnemen. Daarom heeft ze altijd de betekenis van wezensveranderingen en nieuwe krachten die door haar ontstaan.

Het "Hemelrijk" intuïtief te kennen, betekent dat het in ‘s mensens Ik is neergedaald en het evenzo doordringt als het Ik het doordringt. Dit is in de eerste zaligspreking uitgesproken en dit spreekt Rudolf Steiner ook uit doordat hij de ziele-geestelijke inhoud van de eerste zaligspreking in de volgende bewoordingen tot uitdrukking brengt:


"Zalig zijn ... de bedelaars om geest, want als de weg voor hen door Christus is geopend stroomt er in hun Ik binnen, datgene wat we het Hemelrijk kunnen noemen" (Evangelie van Mattheüs, 9de voordracht, Bern 1910, GA 123)

 

2. De tweede zaligspreking van de Bergrede

als formule van de geïnspireerde kennis

 

De daad waardoor de ziel zich voorbij het nulpunt waagt en die tot de intuïtie leidt, gaat aan de schepping van de innerlijke leegte vooraf. De inspanningen en beproevingen die daartoe nodig zijn vormen de scholing van het geïnspireerde bewustzijn dat voor de mens door het etherlichaam mogelijk wordt gemaakt. De ervaringen van geestelijk-morele aard die de mens door het etherlichaam kan hebben, trekken zowel door de geestesgeschiedenis van de mensheid alsook door de innerlijke ervaringen van de inwijding – parallel aan de ervaringen die in de school van het fysieke lichaam worden gemaakt.

                Om het bijzondere karakter van het karma van de mensheid (en de ervaringen van de geestelijke scholing) van het etherlichaam te begrijpen, moet eerst de innerlijke  basiseigenschap van het etherlichaam voor ogen worden gehouden, namelijk dat het etherlichaam, overeenkomstig zijn inwendige samenstelling, geen ruimtelichaam, maar een tijdlichaam is. Het etherlichaam is niet alleen drager van het geheugen, maar is het levende verleden in de mens. De wijsheid die zich in de regulering van biologische processen door middel van het etherlichaam openbaart, is het momenteel levende verleden van de oude Zonneperiode, toen het etherlichaam door de Geesten van de Wijsheid (Kyriotetes) werd uitgestroomd. Zijn innerlijke bewegingssysteem is het levende geheugen van de werkzaamheid van de Geesten van Beweging (Dynamis) tijdens de oude Maanperiode, en de adem die het etherlichaam veroorzaakt is het behoud van het aardse verleden, waarin de Geesten van de Vorm (Elohim) de mensen met hun werkzaamheid doordesemden.

Zowel het verleden voor de zondeval als het verleden na de zondeval zijn in het etherlichaam levend. Het etherlichaam is een boek waarin het gehele verleden is inbegrepen en dat daaraan kan worden afgelezen. Zijn het Ik en het astraallichaam van de mens sterk genoeg om niet alleen in het etherlichaam onder te duiken, maar het daarbij ook innerlijk waar te nemen, dan ontstaat uit deze waarnemingen geleidelijk het steeds sterker wordende gevoel: eenmaal ben je anders geweest dan je nu bent. En steeds helderder en duidelijker wordt het bewustzijn van de verschrompeling, de houterigheid en verduistering die het levensgebied van de mensen als gevolg van de zondeval en de verdere ontwikkeling zijn overkomen. Er ontstaat door de innerlijke gewaarwording van het etherlichaam een kennis van wat de mens in de huidige tijd ontbreekt, wat hij ooit bezat maar kwijt is geraakt. Deze kennis wordt een tragische karaktertrek in de menselijke ziel die nu niet op theoretische gronden, maar door ervaring weet dat ze aan de verkommering ten prooi gevallen is. Zodoende wordt de mens die zich van binnenuit van zijn etherlichaam bewust wordt, daardoor tot een treurende.

Dit treuren van de ziel is echter de noodzakelijke voorwaarde om op het pad van het positieve karma van de mensheid, die kant van het omvattende Christusmysterie te onderkennen en te beleven die in de gestalte van troost tot de mens kan komen.

De tweede zaligspreking van de Bergrede spreekt het door de volgende woorden uit:

"Zalig zijn de treurenden [1], want zij zullen vertroost worden." (Matth. 5:4)

Nu is überhaupt de basisvoorwaarde voor het tot stand komen van kennis op de weg van de inspiratie het gewaarworden van een innerlijk gebrek en de daaruit volgende toestand van de ziel die met het "treuren" overeenkomt. Dit innerlijk leed dragen van de ziel is überhaupt de innerlijke drijfveer tot inspiratie: doordat de ziel door het etherlichaam tot de bewustwording komt van wat haar ontbreekt is daardoor de stap gezet die tot de inspiratie voert. Die bestaat in het invullen van de "lege plaatsen" in het bewustzijn, d.w.z. de "troost" die de treurende gewordt. In deze zin is iedere inspiratie een troost; want ze is het resultaat van een lijdensproces en het overwinnen ervan. De zielensmart is uiteraard niet nodig voor haar eigen belang, maar om tot orgaan van de inspiratie te worden. En zij wordt tot orgaan van de inspiratie, wanneer de ziel met rustige gelatenheid de pijn aanvaardt en in zichzelf de stille kracht vindt om door haar en boven haar uitgaand, in de leegte van het vermiste dat de pijn veroorzaakt heeft, te luisteren.

                Dit luisteren is met het proces van inademen te vergelijken; want tot inademen wordt men gedwongen wanneer men al heeft uitgeademd en de long luchtledig is. De term "inspiratie" (inademing) is daarom een zeer treffende; eigenlijk betekent die feitelijk de essentie van het proces waarnaar die term verwijst. Een leegte, een gebrek moet de ziel eerst hebben beleefd om de (in morele zin) zuigende werking van het actief luisteren in de geestelijke wereld te kunnen uitstromen.

Een zodanige werking die eigenlijk de uit de pijn ontstane wezenlijke vraag van de ziel aan de geestelijke wereld is, wordt – door haar aard zelf – in de geestelijke wereld hoorbaar. En op een voor de geestelijke wereld hoorbare vraag van de mens volgt een voor de mens hoorbaar antwoord van de geestelijke wereld. Zo komt de inspiratiekennis tot stand. In wezen is het een dialoog tussen de mens en de geestelijke wereld. Daar komt het er vooral op aan dat de mens leert om te vragen en wel zodanig te vragen dat zijn vragen ook in de geestelijke wereld naklinken. De ernst echter waarop dergelijke vragen gebaseerd moeten zijn, is niet mogelijk als hij niet uit smart wordt geboren. Want de pijnloos tevreden ziel kan nooit de ernst van ondervraging opbrengen die nodig is om met de geestelijke wereld in tweegesprek te treden. Daarom is de troost van de inspiratiekennis alleen voor diegenen bestemd die aan deze troost behoefte hebben. De treurenden zullen vertroost worden, niet echter de tevredenen, zoals de tweede zaligspreking uitdrukkelijk zegt.

                Laat ons het gehele proces van totstandkoming van geïnspireerde kennis meer in detail beschouwen. Men moet twee kennisstromen onderscheiden, wier samenvloeiing kennis verschaft. De ene stroom wordt door de innerlijke waarneming van het etherlichaam als drager van het geheugen geschapen. Deze kan in zeer uiteenlopende vormen optreden, want op dit gebied is de diversiteit niet geringer dan op het gebied van de gewone, tot de externe ervaring van de zintuigen beperkte begrippenkennis.

                Het denken, de logica is voor alle mensen gelijk, maar hoe verschillend zijn daarbij niet de resultaten door de wijze waarop van dit denken gebruik gemaakt wordt! De een heeft een rijk gedachteleven en een schat aan inzichten in het wezen van de natuur en het menselijke leven, de ander heeft daarentegen een paar gebrekkige begrippenformules waar hij bij zweert en waarvan hij op geen enkele manier afstand van zou kunnen nemen.

                Zodoende zijn er overeenkomstige verschillen in de resultaten die op de weg van de inspiratiekennis tot stand komen. Zoals er uitgebreide, zinvolle gedachten zijn die langs de weg van de logische gevolgtrekking worden verkregen, en minder beduidende gedachten, zo bestaan er grote, beduidende inspiraties, en ook die welke voor de mensheid van minder belang zijn. Zo kan ook de innerlijke waarneming, het innerlijk lezen in het boek van het etherlichaam, naar de resultaten ervan zeer verschillend zijn: het kan over grote, de mensheidsgeschiedenis omvattende vragen uitsluitsel verstrekken; het kan anderzijds over individuele karmische kwesties opheldering geven.

                Heeft het Ik door het astraallichaam een innerlijke waarneming van het etherlichaam gekregen, dan wordt daardoor een verlangen, een pijnlijke vraag in de ziel wakker geroepen die de andere kennisstroom mogelijk maakt. Deze andere kennisstroom bestaat hieruit dat het Ik door het astraallichaam in omgang met de geestelijke wereld treedt, en dan de mededelingen van de geestelijke wereld het geheugen van het etherlichaam inprent. Dit door het Ik via het astraallichaam naar beneden gebrachte, is de troost van de geestelijke wereld; en het versmelten daarvan met wat het Ik door het astraallichaam uit het etherlichaam omhoog heeft gebracht betekent de totstandkoming van een betrouwbare en volledige inspiratiekennis.

                Bij de inspiratiekennis, zoals die op de christelijk georiënteerde kennisweg mogelijk is,  ontmoeten twee in tegengestelde richting verlopende stromen elkaar: de ene haalt de waarnemingen van de binnenkant van het etherlichaam omhoog en prent ze het astraallichaam in, de andere haalt de waarnemingen van het astraallichaam uit de geestelijke wereld omlaag en prent ze het etherlichaam in.

                Deze twee stromen, als eenheid in hun huidige interactie, vormen de twee wegen van de voorchristelijke mysteriën die voorheen los van elkaar begaan werden, namelijk de weg van de zuidelijke mysteriën, waarbij het aankwam op de waarneming van het etherlichaam van binnenuit, en de weg van de noordelijke mysteriën, waarbij het om de waarneming van de objectieve geestelijke wereld door het astraallichaam ging (zie Rudolf Steiners voordrachtscyclus "De Christusimpuls en de ontwikkeling van het Ik-bewustzijn", GA 116).

                Wat vroeger als twee afzonderlijke methodes, als twee scholen in verschillende aardse gebieden optrad, is nu door de daad van Christus Jezus tot een eenheid geworden. Daardoor is echter de op de christelijke kennisweg verkregen kennis tegelijkertijd een betrouwbare en zelfstandige geworden. Want de voorchristelijke kennis moest – juist omdat ze half was – door deelname van ingewijde priesters ingevuld en beveiligd te worden. Daarbij moest van buitenaf  – door andere mensen – datgene worden aangedragen wat aan het innerlijke geestelijke kennisproces ontbrak.

                Terwijl de neofiet in de Egyptische mysteriën in de wereld van de innerlijke waarnemingen verzonken was, spraken de hem omringende priesters met suggestieve kracht de formules en woorden van geestelijke troost, d.w.z. ze fluisterden hem van buitenaf datgene in, wat hem in zijn ervaring ontbrak, opdat een volledige en betrouwbare kennis tot stand zou komen. Zodoende was in het oude Egypte een zelfstandige geestelijke kennis, een zelfinwijding niet mogelijk; de inwijding moest door mensen van buitenaf bewerkt worden.

                Hetzelfde geldt ook voor de noordelijke mysteriën van de voorchristelijke tijd. Daarbij moest de neofiet eveneens door een kring van priester-ingewijden omringd zijn die hem de kracht toedienden die hij zelf zou hebben bezeten, indien hij de innerlijke waarneming van zijn etherlichaam had gehad.

Nu is tegenwoordig de zekerheid en onafhankelijkheid van het christelijke inwijdingsprincipe gegarandeerd door het feit dat de huidige geïnspireerde kennis in de huidige tijd beide ervaringsgebieden omvat. Raad en aanmoediging door een leraar kunnen ook vandaag de dag van onschatbare waarde zijn. De ervaringen en kennis worden tegenwoordig echter in vrije zelfstandigheid verkregen.

 

                Deze twee waarnemingsgebieden die in de tegenwoordige tijd tezamen de geïnspireerde kennis tot stand brengen, d.w.z. het gebied van het "treuren" en het gebied van de "troost", worden met het volledige bewustzijn slechts op bepaalde treden van de geesteswetenschappelijke kennisweg beleefd. Deels bewust, deels onbewust worden deze dingen door veel mensen op de wegen van hun lot ervaren. Zodoende zijn er veel "treurenden" die niet weten dat ze de pijn die ze in de ziel dragen aan een innerlijke waarneming van het etherlichaam te danken hebben, en de verkwikkende, troostende inzichten, waar ze door de pijn heen worden geleid, aan de waarneming van het Ik door het astraallichaam in de geestelijke wereld. Hier drukt zich de realiteit van de inspiratie uit in de dramatiek van het zielenbeleven en de veranderingen in het innerlijke karakter en de gemoedsgesteldheid van de mens.

                Mensen met een dieper inlevingsvermogen zullen dien ten gevolge de waarheid van het gekenmerkte proces van inspiratiekennis zonder bijzondere moeilijkheden kunnen inzien; ze zullen echter in staat zijn om dit proces in een hoger en heiliger licht te begrijpen, wanneer ze hetzelfde proces in de grote archetypische werking van alle christelijke inspiratiekennis herkennen: in het Pinkstergebeuren, waarin de discipelen van Christus Jezus het Christusmysterium op een zodanige wijze leerden kennen dat zij tot de verkondigers ervan konden worden. De Pinksteropenbaring was een troost die aan de discipelen werd gegeven, nadat ze door het treuren vanwege de van hen gescheiden Meester heen waren gegaan. Rudolf Steiner sprak verschillende malen over het onuitsprekelijke verdriet dat de discipelen in de periode tussen Hemelvaart en Pinksteren ervoeren. Dit verdriet was des te dieper, omdat de zelfkennis door de herinnering aan de Gethsemane-slaap er aan vooraf ging, aan het verraad vanuit hun midden, aan de verloochening vanuit hun midden, aan het verlaten van de Meester. Deze zelfkennis deed hen het gebrek, de ontoereikendheid van hun zielenkrachten nog sterker ervaren, doordat de Herrezene zich aan hen als het oer- en voorbeeld van het ware mensdom openbaarde. Zodoende hebben de discipelen het zuivere Adamitische mensdom tegen de achtergrond van de kennis van hun tegenwoordige mensdom beleefd, om na deze belevenis in de periode tussen Hemelvaart en Pinksteren de stilte, de leegte en de duisternis van volledige eenzaamheid als treurende van het onschuldige verloste Mensdom te ervaren. De innerlijke leegte die aan de Pinksteropenbaring voorafging was de voorwaarde voor deze openbaring. Want de Pinksteropenbaring had deze eenzaamheid op te vullen, het lijden troost te brengen en antwoord op de uit leed geboren vragen te geven.

                De kennis omtrent de waarheid over de oude en de nieuwe Adam, het mysterie van Golgotha als de daad van de afsluiting van het karma van de oude Adam en het begin van de verwerkelijking van de nieuwe, ging van binnenuit voor de discipelen oplichten. Toch kon ieder van hen slechts één kant van de gezamenlijke openbaring omvatten; het gehele mysterie moest zich in delen openbaren, opdat de mensen het zouden kunnen omvatten. Daarom verbleef boven iedere apostel een vuurtong, die de kennis van een "woord" van het zich door twaalf "woorden" openbarende Christusmysterie overdroeg.

Zo is het Pinkstergebeuren zowel een verwerkelijking alsook een belangrijke basis voor het begrip van de tweede zaligspreking van de Bergrede: "Zalig zijn de treurenden, want zij zullen vertroost worden." Ze is tegelijk de formule van de christelijke inspiratiekennis en kan, indien men haar als zodanig opvat, met de volgende woorden van Rudolf Steiner inhoudelijk worden weergegeven:

 

“Gezegend zijn zij die lijden, want wanneer ze, zich inlevend in Christus, zich met de nieuwe waarheid vervullen, ervaren ze in zichzelf de troost voor al het lijden." ("Het Mattheüsevangelie", 9de voordracht, Bern 1910, GA 123)

_________________________________

[1] In het Griekse origineel wordt de term gebruikt, hetwelk exact "treurende" of "beweende" betekent, maar niet "lijden" of "huilen" in algemene zin. Want het Griekse woord is het deelwoord van het Latijnse: lugeo, dat de specifieke betekenis van: "Ik draag leed" of zelfs "Ik huil" heeft. Het woord wijst op leed als gevolg van een verlies.

 

3. De derde zaligspreking van de Bergrede

als de formule van imaginatieve kennis


De in de vorige paragraaf gekarakteriseerde innerlijke waarneming van het etherlichaam is alleen mogelijk, indien daaraan de toestand van stilwording, van het zwijgen in het astraallichaam voorafgaat. Beheerst het Ik het astraallichaam dermate dat het in staat is een bewuste stilstand van de zielenroerselen van het astraallichaam te bewerkstelligen, dan wordt daardoor het astraallichaam in staat gesteld om de zielenroerselen van het etherlichaam waar te nemen.

                De kracht die noodzakelijk is om de eigen roerselen van het astraallichaam tot stilstand te brengen, wordt op de geesteswetenschappelijke kennisweg ontwikkeld doordat men eerst zichzelf oefent om vanuit het Ik de roerselen van het astraallichaam een richting te geven. De concentratieoefeningen die op deze weg worden gedaan, hebben in de eerste instantie namelijk tot taak om grip op de innerlijke bewegingen van het astraallichaam te krijgen en ze vanuit het Ik te bepalen. Aan de uitsluiting van de roerselen van het astraallichaam gaat het verwerven van de vaardigheid vooraf, om zijn zielenroerselen te bepalen door het Ik. Nu is het sterkste zielenroersel van het astraallichaam datgene welke alles van toornachtige natuur omvat. Ja, de kracht van toornachtige bewegingen van het astraallichaam is zo sterk dat men het beheersen of niet-beheersen ervan als maatstaf voor het beheersen van het astraallichaam überhaupt kan nemen. Want wie de innerlijke kracht bezit om de toorn te overwinnen als die er is, en de toorn op te roepen wanneer de mens  geen persoonlijke aanleiding ertoe heeft en de voorkeur aan een behagelijke rust zou willen geven, die bezit daardoor juist de nodige kracht om het astraallichaam in alle opzichten te kunnen beheersen. Om die reden kan een mens, die vanuit het Ik het astraallichaam kan beheersen, ook wel als "Meester van de toorn" gekenmerkt worden. Een andere naam voor Meester van de toorn is de "zachtmoedige".

In deze zin kenmerkt Christus Jezus in de derde zaligspreking de mensen die het astraallichaam kunnen beheersen als de zachtmoedigen. Het gaat dus in de derde zaligspreking om de scholing die de mens in het astraallichaam heeft te doorlopen, en om het positieve karma van het astraallichaam in de toekomst.

                Nu bestaat het karma van het astraallichaam in wezen daarin dat het, sinds de Lemurische ontwikkelingsperiode, de eigenlijke drager van het Luciferische element in de mens is. De uiteenzetting met Lucifer is het wezenlijke van de scholing die het menselijk bewustzijn in het astraallichaam heeft door te maken. Het doel van deze uiteenzetting is de innerlijke transformatie van het Luciferische, die als "zachtmoedigheid" kan worden gekenmerkt. Want vanuit de trots van de oppositie tegen de wereldorde ontstaat de toorn, de beheersing waarvan het doel van het Ik is bij zijn arbeid aan het astraallichaam. Daarom kunnen de "zachtmoedigen", d.w.z. die mensen die deze arbeid tot een zekere mate van perfectie verricht hebben, terecht ook als de "overwinnaars van Lucifer" worden gekenmerkt. Want de toorn of woede is de samengebalde werking van het Luciferische in de mens, en de overwinning daarvan mag dus als de overwinning van het Luciferische überhaupt in de mens worden beschouwd.

                Bij het overwinnen van de toorn gaat het er niet zozeer om dat de mens zich gewoon nergens meer aan ergert, maar om grotere en belangrijker dingen. Een van die dingen is bv. het verdragen van het spektakel waar het menselijke geraas zo vaak plezier aan beleeft: het omhoog komen van minderwaardigen en het afzetten of verdringen van waarachtig gemotiveerden en verdienstigen.

Maar nog moeilijker is het voor een mens om meester van zijn verontwaardiging te blijven als hij bv. van misdaden tegen kinderen kennis neemt. Daarbij kan het gebeuren dat de woede zich tegen de hemel zelf richt en de mens het oeroude verwijt tot de hemel schreeuwt: "Indien Uw wet belering door tuchtiging is, wat kunnen die onmondigen dan door het lijden van deze wreedheden leren? Als U de mens de vrijheid toekent, waarom beschermt U de kinderen dan niet tegen het brute geweld? Waar zijn Uw bliksems, waarom zwijgt Uw donder?"

                De toorn van de mens kan tegen de wereldleiding zelf gericht zijn – dan staat de mens in het teken van Lucifer. Want Lucifer kwam in opstand tegen de wereldleiding – vanwege het aardse lot van de mensheid. Voor hem was de mensheid een hiërarchie van kinderen die aan het ruwe aardse lot moesten worden overgelaten. Van dit aardse lot streefde hij ernaar de mensheid te bevrijden. Deze mensheid die ertoe voorbestemd was de toekomst van de Aarde te erven, trachtte hij te onterven. Daarom heeft de overwinning op Lucifer de grote karmische betekenis dat de overwinnaars in de toekomst niet onterfd zullen worden, maar de Aarde zullen beërven. Dit is de belofte van de derde zaligspreking:

 

"Zalig zijn de zachtmoedigen (de overwinnaars van Lucifer), want zij zullen de Aarde (het Aarderijk) beërven." [*] (Matth. 5.5)

 

Als men zich nu afvraagt wat men zich dan wel concreet heeft voor te stellen, wanneer er van de erfgenamen van het Aarderijk sprake is, komt het er eerst op aan van de gedachte uit te gaan dat de erfenisvraag pas na het overleven, na het einde aan de orde komt. Het gaat in dit geval ook om de erfenis van de planeet Aarde na haar overlijden. Want de fysieke planeet Aarde is onderworpen aan het lot van alle levende lichamen: zij is sterfelijk.           

                Er zal dus ooit in de toekomst een tijd aanbreken dat de Aarde als levend organisme er niet meer zal zijn. Zoals ieder levend organisme bezit ze echter ook een etherlichaam. Dat lichaam is de drager van het herinneringsleven van de Aarde, zoals het menselijke etherlichaam de drager is van het herinneringsleven van de mens. Bij de dood van de mens treedt het herinneringsleven van de mens uit het fysieke lichaam en openbaart het zich aan het in het astraallichaam levende Ik als een gelijktijdig tableau van de gehele biografie in de vorm van beelden. Dit tableau van de gehele levensloop is dan de erfenis van het vorige aardeleven die de ziel in de geestelijke wereld mee krijgt. Want het aanschouwen van dit tableau geeft de ziel de kracht van zelfstandigheid in de geestelijke wereld; de morele inhoud ervan resulteert in de inhoud van de Kamaloka-periode; en de kennisinhouden waar dit in de geestelijke wereld heen voert, vormen de inhoud van het bewustzijn tijdens de Devachanperiode.

                Aldus erft de ziel haar vorige aardeleven doordat ze het als een voor haar uitgespreide beeldengalerij aanschouwt. Dit schouwen, dat gewoonlijk vanaf het moment van overlijden ongeveer drie dagen duurt, geschiedt in een toestand van de ziel die als "feestelijke rust" kan worden aangeduid. De verandering die het sterfgeval in de ziel veroorzaakt, brengt op natuurlijke wijze met zich mee dat de ziel gedurende dit tijdvak in sublieme rust geheel aan de aanblik van de verstreken levensloop is toegewijd. Het astraallichaam is dan zwijgend en volledig op het levenstafereel geconcentreerd. Zodoende is de mens in de tijd waarin hij de erfenis van zijn aardeleven in ontvangst neemt een "zachtmoedige". Het lot draagt er zorg voor dat de mens dan in deze toestand verkeert, opdat hij van zijn erfdeel niet onterfd zou worden.

 

Iets soortgelijks zal eens in de toekomst de gehele Aardeplaneet ten dele vallen. Haar etherlichaam zal het fysieke lichaam verlaten en het tableau van de gehele Aardebiografie zal in machtige beelden voor het bewustzijn, dat zij “erven” zal, staan. De morele inhoud van dit tableau zal vervolgens de inhoud van het gehele Aarde-Kamaloka uitmaken; de wijze echter waarop het Aarde-Kamaloka zal worden doorgemaakt, zal de hoogte en de omvang van de Devachaanperiode van het Aardewezen bepalen. Tijdens de Devachaanperiode van de Aarde zal haar volgende incarnatie, de Jupiterperiode, worden voorbereid. Deze zal dus de zichtbare uitwerking van het karma van de Aardeperiode zijn, d.w.z. de karmische erfenis van de planeet Aarde.

                Nu zal echter het schouwen van de tableau van de Aardebiografie zich van het schouwen van de verstreken levensloop in de eerste dagen na de dood in een wezenlijk opzicht onderscheiden. Terwijl de kracht van de "zachtmoedigheid" na de dood van de enkeling aan deze op natuurlijke wijze wordt toegekend, zal dat na de dood van de planeet Aarde niet meer het geval zijn. Want tegenwoordig is het de engel van de mens die het proces van het schouwen van de levenstableau veroorzaakt en ook (meestal) de kracht van de "zachtmoedigheid" aan de ziel verleent. Maar dit zal in de toekomst anders zijn. De engel zal zich terugtrekken, en de mens zelf zal vanuit zijn Ik de kracht op te brengen hebben die voor het schouwen van het levenstableau nodig is. Het Ik van de mens moet in de toekomst zodanig versterkt zijn, dat het vanuit zichzelf kan volbrengen wat voorheen door de engel werd volbracht.

                Natuurlijk verloopt het proces, waarin de engel bepaalde gebieden van werkzaamheid en lotsbestemming aan het menselijke Ik overlaat, geleidelijk: voordat de engel terugtreedt wordt het Ik eerst gedeeltelijk mede betrokken, en vervolgens in grotere mate betrokken – om tenslotte de gehele werkzaamheid van de engel tegenover de mens over te nemen. Maar het karmisch bepaalde uur zal slaan, waarop de huidige wijze van leidinggeven door de engel niet meer mogelijk zal zijn. En dit zal in het uur van de dood van onze planeet het geval zijn. Dan zullen de mensen slechts zoveel van het aardse levenstableau schouwen als hun uit het Ik ontwikkelde kracht daartoe zal blijken te voldoen. Er zullen dan mensen zijn die alleen in staat zijn om een deel van het hele aardeleven te schouwen, anderen zullen daarentegen in staat zijn om het gehele aardse verleden te overzien.

Dit zullen mensen zijn die zich tijdens hun aardse ontwikkeling dermate met de Christusimpuls doorgedrongen hebben dat ze nog voor het einde van deze ontwikkeling het imaginatieve bewustzijnsniveau bereikt hebben. De kracht van "zachtmoedigheid", de beheersing van het astraallichaam die voor het imaginatieve schouwen van het gehele verleden van de Aarde nodig zal zijn, zal hen niet ontbreken, omdat zij die al tijdens het aardse bestaan ontwikkeld zullen hebben. Want eer de grote terugblik op het Aardeverleden aan hun schouwen als opgave zal worden gesteld, zullen ze reeds vaker de gelegenheid hebben gehad om de kracht van het imaginatieve schouwen te ontplooien

 

De kracht van het imaginatieve schouwen is in wezen de kracht van moed, waar de beheerste en getransformeerde toorn in overgaat. De zachtmoedige mensen zijn meestal ook de meest moedige mensen, want wie niemand wrok nadraagt heeft ook voor niemand vrees. Zo is het in het gewone dagelijkse leven; maar nog meer van toepassing is dit op het gebied van het concrete occultisme.  Daar is de moed om de waarheid recht in de ogen te zien, absoluut afhankelijk van de vraag of men al dan niet zijn astraallichaam tot stille toewijding kan brengen. Bezonnenheid moet een hoog ontwikkelde kracht worden, opdat de mens die moedbeproeving doorstaat die op het moreel-wezenlijke van de scholing van de imaginatie neerkomt en die Rudolf Steiner in zijn "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?" als de "vuurproef" aanduidde.

                Bij de vuurproef gaat het met name om de moed, de aanblik van de onverbloemde waarheid over zichzelf (maar ook over andere mensen) werkelijk te willen en te verdragen. Wat de mens door deze proef ervaart zou hem – bij gebrek aan kracht tot moed – tot wanhoop over zichzelf en verontwaardiging over de menselijke natuur kunnen brengen. Daar gaat het er echter juist om het vertrouwen in de mensheid niet te verliezen. De vuurproef is een geloofsproef: het geloof in de mens moet niet alleen behouden, maar ook versterkt worden – ondanks en dankzij de vernietiging van de illusies in het kennisvuur. Er moet een tolerantie, een "zachtmoedigheid" tegenover de menselijke natuur geboren worden daaruit, zonder welke het in het geheel niet mogelijk zou zijn om mensen nog te verdragen.

                Dit geloof in de mens dat door de vuurproef de rijpheid van het beproefd-zijn verkrijgt, is de christelijke waarheid die in de school van de imaginatie wordt geleerd. Want het Christendom is niet alleen vertrouwen tegenover het Goddelijke, maar ook tegenover het menselijke. Zoals een atheïst geen Christen kan zijn, zo kan iemand die geen vertrouwen in de mens heeft, ook geen Christen zijn. Het feit dat Christus Jezus God en mens was, verplicht ons geweten ertoe, zowel God alsook de mens te vertrouwen.

                In een wereld die de vrijheid te realiseren heeft, komt het niet op het vergaren van kennis alleen, maar vooral op vertrouwen aan. Weliswaar kan wat we weten het vertrouwen versterken en beproeven; maar het vertrouwen heeft toch het laatste en beslissende woord in deze wereld. Zou het de krachten van het kwaad gelukken om de kring van vertrouwen van de wereld te vernietigen, d.w.z. het vertrouwen van de mensen tegenover de geestelijke wereld, het vertrouwen van de geestelijke wereld tegenover de mensen en het vertrouwen tussen mensen onderling, dan zou de vierde hiërarchie een mislukte poging blijken te zijn, en zou voor de evolutie van de mensheid het laatste uur geslagen hebben. Want de hiërarchie van de vrijheid kan alleen haar doel vervullen, indien ze aan de vrijheid in positieve zin gelooft – wanneer zij gelooft dat door het gebruik dat de wezens van de vrijheid zullen maken er iets goeds ontstaat.

                Dit geloof heeft echter strenge beproevingen door op ervaring gebaseerde kennis te doorstaan; beproevingen die zowel voor de menselijke alsook de geestelijke wereld gelden. Zoals er mensen zijn die het geloof in de geestelijke wereld verloren hebben, zo zijn er wezenheden van de hiërarchieën die het geloof in de mensheid verloren hebben. Er waren bv. de zes, tot de waardigheid van Tijdgeest opstijgende, planetaire aartsengelwezenheden die zich in oppositie tot de zonnewijsheid van Michael stelden, omdat ze niet geloofden dat de Michael-openbaring aan de mensheid toevertrouwd kan worden (zie Rudolf Steiners cyclus "De karmische samenhangen van de antroposofische beweging", Dornach 1924, GA 237; voordracht van 8 augustus 1924 in “Karmaonderzoek 4”).

                Maar de vertrouwensbron van het Christendom is in andere gebieden te vinden. Vertrouwen stroomt uit het Christuswezen zelf. En zolang de Christus de mensheid vertrouwt, zolang mag de mensheid het vertrouwen tegenover het hart van de wereld behouden. Het vertrouwen van het hart van de wereld is echter grenzeloos. Christus is het wezen van de wereld dat de mensheid geheel vertrouwt, terwijl andere wezens verschillende niveaus van dit vertrouwen bezitten. En voor ons mensen betekent het Christendom dat we van onze kant de Christus volledig vertrouwen. In het Christendom komt het op honderd procent vertrouwen aan. En alles wat we weten over het mysterie van Golgotha, de Opstanding, Pinksteren en nog veel meer is er in wezen met de bedoeling dat dat vertrouwen honderdprocentig wordt. Want het weten van de offers van de Christus die uit vertrouwen in de mensheid gebracht werden, wordt tot een machtige impuls voor het geweten om ook Hem het volste vertrouwen tegemoet te brengen.

                Zoals Christus ons de woorden naliet: "Tot aan het einde van de wereld ben Ik bij u", zo spreken deze woorden de mate van vertrouwen van Christus tegenover de mensheid uit. Zij spreken uit dat Zijn vertrouwen in de mensheid niet zal worden ingetrokken, zolang de wereld bestaat, zolang de tijd bestaat. Het antwoord dat een mens op dit vertrouwen kan geven luidt, in de woorden van Paulus: "Niet ik, maar Christus in mij". Deze woorden zijn de ware formule van het menselijk vertrouwen in relatie tot de Christus.

 

De vuurproef is een beproeving van het geloof door de ervaring, zoals de waterproef een beproeving van de hoop is – door treuren en troost, en de luchtproef een beproeving is van het vermogen om lief te hebben. De kracht van het vertrouwen wordt door de vuurproef versterkt, de kracht van de hoop in het "treuren" leidt tot de troost van inspiratiekennis, en de liefdeskracht wordt geboren door de luchtproef – dit is de samenhang van de drie krachten van de Christusimpuls met de wezenlijke ervaringen van de geesteswetenschappelijke kennistreden van imaginatie, inspiratie en intuïtie.

                De kennistrede van de imaginatie wordt echter bereikt doordat de mens het ongeduld, de toorn, de intolerantie overwint om de moed van het geloof te ontwikkelen die voor het verdragen van het schouwend waarnemen van de waarheid onontbeerlijk is. Het imaginatieve schouwen komt tot stand door de aanwezigheid van een concentratievermogen dat groter is dan wat voor het gewone objectieve bewustzijn nodig is. Dit verhoogde concentratievermogen heeft de morele achtergrond van rustige moed dat een ziel bezit die "zachtmoedig" geworden is.

                Om deze reden is de geestelijke basisoefening op de weg naar de imaginatie de zogenaamde "terugblik"-oefening, waarin de mens de voorbije dag in tegenovergestelde tijdrichting voor zijn geestesoog de revue laat passeren. Als gevolg daarvan verheft hij zich met zijn bewustzijn boven het niveau van het dagelijks leven en identificeert hij zich daar niet meer mee, hij beschouwt het met het oog van een "zachtmoedige". Doordat hij het als iets vreemds, iets wat buiten hem staat beschouwt, leeft hij niet meer in de stroom van de dagelijkse ervaring, maar bevindt hij zich daarbuiten en daarboven. Hij treedt uit het fysieke- en etherlichaam en leeft in het astraallichaam, van waaruit hij de herinneringsbeelden van het etherlichaam aanschouwt.

                Deze oefening van het aanschouwen schept geleidelijk vanuit het Ik die kracht die bij de door het lot bepaalde terugblik, die onmiddellijk op het intreden van het moment van de dood volgt, de engel aan de mens verleent. Op een zeker elementair niveau is deze oefening een soort van "erven" van de vorige dag, zoals het schouwen van het levenstableau na de dood een "erven" van de verstreken levensloop is en zoals, na de ondergang van de Aardeplaneet, het schouwen van haar gehele verleden het "erven van de Aarde" zal betekenen.

 

De zachtmoedigen die het Aarderijk beërven zijn dus mensen die de vuurproef volledig doorstaan hebben en die reeds tijdens de Aardeontwikkeling het stadium van het imaginatieve bewustzijn bereikt hebben. Zij zullen in staat zijn om het gehele Aardeverleden te schouwen en zij zullen de bewuste draad vertegenwoordigen die het Jupiterbestaan met het Aardebestaan verbindt. De herinnering aan het Aardebestaan zullen zij bewust naar het Jupiterbestaan overbrengen en daardoor dit toekomstige bestaan tot karmische erfenis van het oude verstreken Aardebestaan maken. Zodoende heeft de belofte van de derde zaligspreking niet alleen de betekenis dat de "zachtmoedigen" het proces van het erven van het Aardeverleden bewust zullen beleven, maar ook dat zij met het bewustzijn van deze erfenisverhouding tot het Aardeverleden het Jupiterbestaan zullen betreden – als zij die weten van het karma van Jupiter. En zij zullen dit karma accepteren en de verwerkelijking ervan willen –  d.w.z. moreel het beheer en de voortzetting van het Aarde-erfgoed overnemen en dragen. Om die reden zal aan hen, als het voortgeschreden deel, de avant-garde van de mensheid, karmisch de leidende rol tijdens de Jupiterperiode toebedeeld worden; want zij hebben de eigenlijke taak van de Jupiterperiode, d.w.z. de volledige ontwikkeling van het imaginatieve bewustzijn – in die mate dat dit tijdens de Aardeperiode mogelijk was – reeds bereikt.

 

Zo bevat de derde zaligspreking de belofte van het positieve karma van de aan het astraallichaam werkende menselijke Ik-wezenheid, en tegelijk ook de moreel-geestelijke formule van de imaginatieve kennis die op de weg van de christelijke esoterie bereikt kan worden. Al hetgeen over deze zaligspreking is gezegd, zal nogmaals in de woorden van Rudolf Steiner samengevat worden:

 

"Zalig zijn zij die zachtmoedig zijn door henzelf, door de kracht van het Ik; want zij zullen degenen zijn die het Aarderijk beërven!" (Evangelie van Mattheüs, 9de voordracht, Bern 1910, GA 123)

 

De volgende beschouwing zal de psychische en geestelijke ontwikkeling van de mensheid aan de hand van de zes andere zaligsprekingen als onderwerp hebben.

_________________ 

[1] Deze uitdrukking betekent in het Grieks "zij zullen het aardrijk beërven", niet echter "bezitten", zoals het in de Lutherse vertaling staat. In de Russische vertaling van het Mattheüsevangelie van wordt het woord "erven" gebruikt.

* * *

 

BIJLAGE 

Aan de lezers van de Beschouwingen over het Nieuwe Testament

 

Het verschijnen van de "Beschouwingen" heeft, helaas, te lijden gehad aan een aanzienlijke vertraging. De omstandigheden waren een tijdlang zo moeilijk dat dit niet te vermijden was. Maar de schrijver vraagt de lezer om te geloven dat hij geen enkel moment aan het opgeven van het werk heeft gedacht. De twaalf beschouwingen over het Nieuwe Testament verschijnen in ieder geval. De vijfde zal in januari worden uitgebracht en de zesde (over “Het Onze Vader”) in februari 1937.

Van een opgeven van het werk kan alleen al geen sprake zijn, omdat door een aanzienlijk aantal brieven uit verschillende landen niet alleen een uiting van waardering van lezers – waaronder een aantal van de persoonlijkheden die tientallen jaren aan het werk van Rudolf Steiner hebben bijgedragen – aan de auteur gericht werden, maar ook de uitdrukkelijke wens van een vervolg. Voor deze uiting van vriendelijke gezindheid wil de auteur zijn hartelijke dank uitdrukken. Tegelijk wil hij ook tegenover de hem zo welgezinde lezers zijn voornemen mededelen om na de voltooiing van het werk over het Nieuwe Testament met een soortgelijk werk in dezelfde omvang over de Apocalyps van Johannes een aanvang te maken. Aangezien de auteur reeds in de winter van 1932/ 33 zo’n 16 lezingen over de Apocalyps gehouden heeft, is dit werk naar de inhoud reeds vier jaar "gereed" en ligt het gewoon te wachten op de kans om in schriftelijke vorm te verschijnen. Men mag hopen dat deze gelegenheid zich zal voordoen, als de vriendschappelijke gezindheid van de lezers van de "Beschouwingen", die zelfs in de moeilijkste tijden behouden bleef, ook later behouden zal blijven.

Tegelijkertijd heeft de auteur de lezers mee te delen dat een klein boekje van hem – met de omvang van een "Beschouwing" – over de Grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner verschenen is, dat men uitsluitend zelf betrekken kan (prijs Reichsmark 1.- of het equivalent daarvan in de valuta van het betreffende land). Dit document is bedoeld als een bijdrage van de auteur aan  de Kersttijd van 1936/1937 en hij zou daarom de mededeling van de verschijning hiervan met een warme kerstgroet aan de lezers van de Beschouwingen willen besluiten. [*]

 

Tallinn, 1936                                                                          

Valentin Tomberg

 

____________________

[*] Deze ene beschouwing werd later aangevuld met twee verdere en is vertaald onder de titel De Grondsteenmeditatie van Rudolf Steiner kan online bestudeerd worden.